De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een ex-militair, voortvloeiend uit militaire joyriding. De zaak werd behandeld door de meervoudige militaire kamer van de Rechtbank Gelderland, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was.
De militaire kamer stelde vast dat de veroordeelde 23.691,6 kilometer op kosten van zijn werkgever had gereden. Gezien zijn financiële situatie werd aangenomen dat hij een kleine, zuinige auto (miniklasse) zou hebben gehad, waaruit het voordeel werd berekend op € 8.528,98, lager dan het aanvankelijk door de officier van justitie geschatte bedrag.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De kamer legde de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de staat te betalen als ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bewijs bestond uit proces-verbalen van de Koninklijke Marechaussee en andere schriftelijke stukken.