Op 17 april 2017 voerde verdachte twee telefoongesprekken, waarvan één met een personeelslid van een huisartsenpost en één met de 112-hulpdienst. Verdachte werd beschuldigd van het uiten van bedreigingen met woorden die duidden op een aanslag en geweld.
De officier van justitie stelde dat verdachte wettig en overtuigend bewezen had bedreigd, terwijl de verdediging ontkende en stelde dat onvoldoende bewijs aanwezig was, mede doordat van het eerste gesprek geen geluidsopname was en het tweede gesprek een schreeuw om hulp betrof.
De rechtbank oordeelde dat de opname van het tweede gesprek onvoldoende steun bood voor de beschuldiging en dat de woorden van verdachte tijdens het tweede gesprek niet als strafbare bedreiging konden worden gekwalificeerd. Verdachte sprak een gedachte uit waarvan hij wist dat die niet normaal was, maar hij zocht hulp en had geen intentie om angst aan te jagen.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging van bedreiging. De rechtbank vond het bewijs onvoldoende om de bedreiging te bewijzen en sprak verdachte vrij tijdens de openbare terechtzitting op 22 maart 2018.