De rechtbank Gelderland behandelde op 21 december 2017 de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor handel in cocaïne en oplichting.
De officier van justitie vorderde een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €17.209,80, later aangepast naar €14.826,20 en uiteindelijk €12.841,20 hoofdelijk voor de verdachte en zijn medeverdachte. De verdediging betwistte de nauwkeurigheid van de berekening en stelde een lager bedrag van €7.985,- voor.
De rechtbank nam het vonnis van 4 januari 2018 in overweging, waarin de handel in cocaïne en oplichting waren bewezen. De rechtbank achtte de verklaring van de verdachte over de opbrengst van de drugshandel betrouwbaar en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de drugshandel vast op €6.500,- (13 weken à €500). Na aftrek van de vorderingen van benadeelden op de oplichting, bleef een bedrag van €1.985,- over. Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €8.485,-.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde tot betaling van dit bedrag aan de Staat, conform artikel 36e Wetboek van Strafrecht.