De rechtbank Gelderland behandelde op 13 maart 2018 de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt met 2633 hennepplanten. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op ruim €105.000, maar verzocht ter zitting een bedrag van €17.588,78 toe te wijzen, rekening houdend met zes betrokkenen.
De verdediging voerde aan dat het voordeel nihil moest worden vastgesteld, omdat de veroordeelde slechts beperkte bedragen had ontvangen en aanzienlijke kosten had gemaakt. Ook werd een beperkte draagkracht aangevoerd. De rechtbank oordeelde echter dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aannemelijk was en volgde de berekening van het Functioneel Parket, waarbij de opbrengsten en kosten per kweekruimte werden meegewogen.
De rechtbank stelde het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €105.532,71 en verdeelde dit over vijf deelnemers, waarbij de veroordeelde een aandeel van €17.588,62 toekomt. Het draagkrachtverweer werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd uitgesproken door de meervoudige kamer op 27 maart 2018.