Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2018:1854

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2018
Publicatiedatum
23 april 2018
Zaaknummer
05/204819-17
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Militair veroordeeld tot werkstraf wegens mishandeling stiefzoon

Op 12 maart 2017 heeft een 41-jarige militair zijn 11-jarige stiefzoon mishandeld door hem stevig bij de armen en het gezicht vast te pakken en hem tegen het achterhoofd te slaan. De jongen had papiertjes in brand gestoken in zijn slaapkamer, wat de aanleiding was voor de reactie van de militair. De mishandeling leidde tot blauwe plekken en een bult op het achterhoofd van het kind.

De militaire kamer oordeelde dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen was, ondanks dat de verdediging enkele handelingen betwistte. De verklaring van het slachtoffer, het letselrapport en de verklaring van de verdachte werden meegewogen. De kamer verwierp de stelling dat de bult op het hoofd een aangeboren afwijking was.

De militair werd veroordeeld tot een werkstraf van 38 uur, met een vervangende hechtenis van 19 dagen indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd. De straf werd zo vastgesteld dat de militair zijn militaire baan en de verklaring van geen bezwaar niet zou verliezen. De kamer benadrukte de ernst van de mishandeling en het aangetaste veiligheidsgevoel van het kind.

De uitspraak werd gedaan door de militaire kamer van de rechtbank Gelderland op 23 april 2018 na een terechtzitting op 9 april 2018.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 38 uur werkstraf wegens mishandeling van zijn stiefzoon.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/204819-17
Datum uitspraak : 23 april 2018
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
raadsvrouw: mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2018.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 maart 2017 te Kampen, althans in Nederland, [slachtoffer] , zijn, verdachtes stiefzoon, meermalen, althans éénmaal heeft mishandeld door (telkens)
 in zijn, verdachtes woning boven op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of (vervolgens) (met kracht) die [slachtoffer] bij de keel en/of hals te grijpen en/of vast te pakken en/of in de keel en/of hals te knijpen en/of te drukken en/of de keel en/of hals dichtgeknepen en/of dichtgedrukt te houden en/of de arm(en) van die [slachtoffer] vast te pakken en/of (met kracht) de wang, althans het gezicht van die [slachtoffer] vast te pakken en/of in de wang, althans in het gezicht te knijpen en/of die [slachtoffer] tegen de billen te schoppen en/of te trappen (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) en/of die [slachtoffer] aan de arm de woning uit te trekken en/of te sleuren en/of
 (al rijdend) in zijn, verdachtes auto die [slachtoffer] in/tegen het gezicht/hoofd en/of been en/of (boven)arm en/of schouder, althans tegen het lichaam te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte heeft op 12 maart 2017 in zijn woning in [plaats] zijn stiefzoon [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) stevig bij de bovenarmen gepakt. Ook heeft hij [slachtoffer] stevig in het gezicht vastgepakt. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zijn stiefzoon bij de bovenarmen heeft vastgepakt, bij de kin en het gezicht heeft vastgepakt en dat hij zijn stiefzoon een tik tegen het achterhoofd heeft gegeven. De verdediging is van mening dat voor alle overige ten laste gelegde handelingen het overtuigend bewijs ontbreekt.
Beoordeling door de militaire kamer
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij met verdachte naar het politiebureau moest. In de auto werd hij door verdachte geslagen op zijn bovenbeen en tegen zijn hoofd. Verdachte sloeg hem met de vlakke hand op zijn achterhoofd. Hierdoor had hij heel erg last van zijn hoofd en kon hij niet meer fatsoenlijk op zijn hoofd liggen. [3]
Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 maart 2017 een brandlucht rook in zijn huis en dat hij dacht dat het huis in brand stond. Volgens hem kwam er rook onder de slaapkamerdeur van [slachtoffer] vandaan. Hij was in paniek en angstig voor hetgeen met de brand had kunnen gebeuren en wilde [slachtoffer] over het gebeurde aanspreken. Nadat hij [slachtoffer] bij zijn armen en gezicht had vastgepakt en weer had losgelaten, zijn zij naar beneden gegaan. [slachtoffer] is toen een paar treden van de trap gevallen. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna met het puntje van zijn schoen een heel klein tikje onder zijn kont heeft gegeven, zodat [slachtoffer] op zou staan. In de auto maakte [slachtoffer] een opmerking tegen hem en gaf hij een ‘veeg’ tegen het hoofd van [slachtoffer] , met welke bewoording verdachte heeft gedoeld op een tik tegen het hoofd. [4] Met betrekking tot de bult die op het achterhoofd van [slachtoffer] is geconstateerd, heeft verdachte verklaard dat die niet door zijn toedoen is ontstaan, maar dat [slachtoffer] een aangeboren afwijking aan zijn schedel heeft, waardoor hij een bultje op zijn hoofd heeft.
In het dossier bevindt zich een letselrapportage. [5] Hieruit volgt onder meer dat midden op het achterhoofd van [slachtoffer] een zwelling voelbaar was van 3 bij 4 cm. Op zijn kin, linkerslaap, linkerarm en rechterarm waren bloeduitstortingen te zien.
Anders dan de verdediging is de militaire kamer van oordeel dat de zwelling van 3 bij 4 cm, die de forensisch arts op het achterhoofd van [slachtoffer] heeft geconstateerd, is ontstaan doordat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen zodat er niet slechts sprake is geweest van een tik of veeg tegen het hoofd. Dat de bult te wijten zou zijn aan een aangeboren afwijking, zoals verdachte heeft verklaard, is niet nader onderbouwd en niet aannemelijk geworden.
De militaire kamer heeft niet de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] op zijn bovenbeen heeft geslagen. Naar het oordeel van de militaire kamer kan niet uitgesloten worden dat de blauwe plek op het bovenbeen van [slachtoffer] door een andere oorzaak is ontstaan, zoals door de val van de trap.

3.Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is op grond van de inhoud van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
één ofmeer tijdstip
(pen
)op
of omstreeks12 maart 2017 te Kampen,
althans in Nederland,[slachtoffer] , zijn, verdachtes stiefzoon, meermalen
, althans éénmaalheeft mishandeld door (telkens)
 in zijn, verdachtes woning
boven op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of (vervolgens) (met kracht) die [slachtoffer] bij de keel en/of hals te grijpen en/of vast te pakken en/of in de keel en/of hals te knijpen en/of te drukken en/of de keel en/of hals dichtgeknepen en/of dichtgedrukt te houden en/ofde arm
(en
)van die [slachtoffer] vast te pakken en
/of(met kracht)
de wang, althanshet gezicht van die [slachtoffer] vast te pakken en
/of in de wang, althansin het gezicht te knijpen
en/of die [slachtoffer] tegen de billen te schoppen en/of te trappen (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) en/of die [slachtoffer] aan de arm de woning uit te trekken en/of te sleurenen
/of
 (al rijdend) in zijn, verdachtes auto die [slachtoffer]
in/tegen het
gezicht/hoofd
en/of been en/of (boven)arm en/of schouder, althans tegen het lichaamte slaan;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.Overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 38 uren werkstraf, te vervangen door 19 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke straf.
Beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op een uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 maart 2018. De militaire kamer heeft zich tijdens de beraadslaging over deze zaak voldoende voorgelicht geacht en heeft geen behoefte aan een nadere rapportage omtrent de persoon van verdachte zoals ter terechtzitting door de officier van justitie was voorgesteld.
De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, nadat hij geconstateerd had dat zijn stiefzoon papiertjes in brand had gestoken op zijn slaapkamer, zijn stiefzoon stevig bij de armen en het gezicht gepakt. Ook heeft hij de jongen tegen zijn hoofd geslagen na een (brutale) opmerking. De jongen heeft hier blauwe plekken en een bult op zijn hoofd aan overgehouden, waardoor hij pijn heeft geleden. Verdachte heeft bovendien zelf verklaard dat hij angst in de ogen van [slachtoffer] heeft gezien, waaruit de militaire kamer concludeert dat verdachte [slachtoffer] echt bang heeft gemaakt. De militaire kamer neemt het verdachte kwalijk dat hij zo heftig bij een 11-jarige jongen heeft gereageerd, ook al was er sprake van een potentieel gevaarlijke situatie. Kinderen horen zich juist veilig te voelen bij hun ouders of bij degenen die zij als hun ouders beschouwen. Door te heftig te reageren zoals verdachte heeft gedaan, is het gevoel van veiligheid en geborgenheid van het kind aangetast.
Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt niet dat verdachte recentelijk voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld.
De militaire kamer heeft oog voor de omstandigheden die hebben gespeeld voorafgaand en na de gepleegde mishandeling en de verhouding tussen verdachte en zijn ex-partner, zoals uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken. De militaire kamer acht van belang dat verdachte niet zijn baan zal verliezen wegens het bewezenverklaarde en zal daartoe een zodanige taakstraf opleggen dat de ‘verklaring van geen bezwaar’ van verdachte niet in gevaar behoeft te komen. Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De militaire kamer:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een
werkstrafgedurende
38 (achtendertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 (negentien) dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. G.W.B. Heijmans, rechter, en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2018.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Koninklijke Marechaussee, district Noord-Oost, brigade Drenthe-IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27ND/17-001417, gesloten op 24 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 april 2018; proces-verbaal van verhoor, p. 36.
3.Proces-verbaal, p. 68-69.
4.Proces-verbaal van verhoor, p. 35-38 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.
5.Een schriftelijk bescheid zijnde een letselrapportage, p. 78-79.