Uitspraak
[veroordeelde](hierna te noemen: veroordeelde),
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie vorderde op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en veroordeelde verplicht tot betaling aan de Staat. Het voordeel werd voorlopig geschat op €490.308,14.
De zaak werd behandeld op 4 januari 2018 waarbij veroordeelde en zijn raadsman aanwezig waren. De officier van justitie persisteerde in de vordering, terwijl de verdediging het woord voerde ter ontkrachting.
Bij de beoordeling nam de rechtbank kennis van het op dezelfde dag gewezen vonnis waarin veroordeelde werd vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Tevens bleek uit de berekening van het vermeende voordeel niet duidelijk wat het daadwerkelijke voordeel was bij de diefstal van elektriciteit.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en wees daarom de ontnemingsvordering af.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het genoten wederrechtelijk voordeel.