ECLI:NL:RBGEL:2018:1897

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 april 2018
Publicatiedatum
25 april 2018
Zaaknummer
NL17.14484
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 lid 1 RvArt. 146 lid 1 RvArt. 30a lid 3 onder c Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzetprocedure en herstelverplichting bij onvolledig verzetexploot

In deze civiele verzetprocedure tussen eiser en verweerder heeft de rechtbank vastgesteld dat het verzetexploot niet voldoet aan de vereisten van art. 146 lid 1 juncto Pro art. 30a lid 3 onder c Rv, omdat het geen dag vermeldt waarop de oorspronkelijke eiser uiterlijk kan verschijnen in de verzetprocedure.

De rechtbank benadrukt dat deze vermelding noodzakelijk is om onzekerheid te voorkomen over de vertegenwoordiging van de oorspronkelijke eiser en diens kennis van de procedure. Zonder deze uiterste verschijndag kan niet worden vastgesteld of de oorspronkelijke eiser nog vertegenwoordigd wordt door zijn advocaat of zelf op de hoogte is van het verzet.

De rechtbank beveelt daarom aan verweerder om binnen een gestelde termijn een herstelexploot uit te brengen waarin deze dag wordt vermeld, met een afschrift van het oorspronkelijke exploot. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte processtukken in verzetprocedures en de noodzaak van duidelijke communicatie over uiterste verschijningsdata om rechtszekerheid te waarborgen.

Uitkomst: Verweerder moet een herstelexploot uitbrengen met een uiterste verschijndag, verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitspraak

vonnis

_

RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: NL17.14484
Vonnis in verzet van 11 april 2018
in de zaak van
[Naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
verweerster in het verzet,
hierna te noemen: [eiser] ,
in de verstekprocedure vertegenwoordigd door advocaat P.W.E. Hoezen,
tegen
[Naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
eiser in het verzet,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat M.G.W.M. Geurts.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het door deze rechtbank op 6 februari 2018 tussen [eiser] en [verweerder] bij verstek gewezen vonnis met nummer NL17.14484
- het verzetexploot.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzetexploot is op 6 maart 2018 betekend aan het kantooradres van Hoezen voornoemd, zoals is voorzien in art. 63 lid 1 Rv Pro. [verweerder] heeft dit exploot op 12 maart 2018 bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft Hoezen per e-mail van de indiening mededeling gedaan. [eiser] heeft in de verzetprocedure tot op heden niet van zich laten horen.
2.2.
Anders dan in art. 146 lid Pro 1 j° art. 30a lid 3 onder c Rv is voorgeschreven, vermeldt het verzetexploot niet de dag waarop [eiser] ten laatste in de verzetprocedure kan verschijnen. De oproeping tegen een uiterste verschijndag is nodig omdat anders onzekerheid erover kan blijven bestaan of de oorspronkelijke eiser nog wel wordt vertegenwoordigd door de eerder voor hem optredende advocaat of door een andere advocaat en of de oorspronkelijke eiser wel op de hoogte is geraakt van de voortzetting van de procedure op tegenspraak, indien, zoals in het onderhavige geval, naar aanleiding van de mededeling van de rechtbank van de indiening van het verzetexploot aan de eerder voor de oorspronkelijke eiser optredende advocaat, niets wordt vernomen. In aanmerking genomen dat tussen het verstekvonnis en het verzetexploot geruime tijd kan verstrijken, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de advocaat naar wie bericht is gestuurd nog voor de oorspronkelijke eiser optreedt, nog bereikbaar is op hetzelfde (e-mail)adres of zelfs nog in functie is. Afgezien van de ongewisheid of de oorspronkelijke eiser van het verzet op de hoogte is geraakt, is ook voor de rechtbank moeilijk te bepalen hoe de procedure verder moet indien niet duidelijk is of de oorspronkelijke eiser nog wel wordt vertegenwoordigd door een advocaat en in die zin nog steeds als verschenen moet worden aangemerkt. Indien er, ook al ontbreekt elk bericht, zonder meer van zou worden uitgegaan dat de eerdere advocaat nog voor de oorspronkelijke eiser optreedt en een mondelinge behandeling wordt bepaald, is het mogelijk dat voor de oorspronkelijke eiser niemand verschijnt, zonder dat duidelijk is waarom niet. Al deze onzekerheid kan alleen worden vermeden door aanzegging van een uiterste verschijndag in het verzetexploot. Dan is er een formeel moment waarop de oorspronkelijke eiser uiterlijk van zich moet hebben laten horen. Laat hij niets van zich horen dan is daarmee duidelijk dat hij niet langer wordt vertegenwoordigd door een advocaat en niet langer als verschenen heeft te gelden. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever zonder aanzegging van een uiterste verschijndag zou kunnen worden volstaan met enkele mededeling door de rechtbank van indiening van het verzetexploot aan de laatstelijk voor de oorspronkelijke eiser opgetreden hebben advocaat. De rechtbank zal [verweerder] gelegenheid geven dit verzuim te herstellen. Daartoe dient [verweerder] [eiser] met instandhouding van het verzetexploot bij herstelexploot alsnog aan te zeggen dat [eiser] ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van betekening van dit herstelexploot in de verzetprocedure kan verschijnen. Een afschrift van het op 6 maart 2018 betekende oproepingsbericht moet worden meebetekend.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat [verweerder] een herstelexploot laat uitbrengen op de in 2.2 bedoelde wijze en voorts dat [verweerder] dit exploot uiterlijk op 25 april 2018 bij de rechtbank zal indienen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.