Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 26 februari 2018, ingekomen op 28 februari 2018;
- het schriftelijke verweer van de rechter van 3 april 2018.
Rechtbank Gelderland
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een huurzaak, stellende dat zij onvoldoende gehoord waren en dat de rechter niet volledig het dossier had bestudeerd, wat leidde tot een vermeende vooringenomenheid.
De rechter had tijdens de zitting gevraagd naar de betalingsbewijzen van de huurachterstand en een regeling voorgesteld waarbij ontbinding en ontruiming werden uitgesproken, maar uitvoering daarvan werd opgeschort bij tijdige betaling. Verzoekers voelden zich hierdoor benadeeld, maar de rechter handelde volgens vaste jurisprudentie en legde het juridische kader uit.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, maar gelet op de omstandigheden werd het verzoek inhoudelijk behandeld. De kamer vond geen concrete feiten die wijzen op partijdigheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor partijdigheid.