AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep belastingrecht ongegrond verklaard
De rechtbank Gelderland behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 24 augustus 2017, waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht van €46. Opposant had verzet ingesteld op grond van artikel 8:55 AwbPro, maar verscheen wel ter zitting terwijl de wederpartij niet aanwezig was.
De rechtbank heeft onderzocht of de niet-ontvankelijkverklaring terecht was en of er redelijke twijfel over bestond. Opposant voerde geen nieuwe argumenten aan ter zitting en de rechtbank zag geen reden om het eerdere oordeel te herzien. De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het griffierecht niet was betaald ondanks een duidelijke aanmaning.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde zij de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het belastingberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 17/1382
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 januari 2018
in de zaak tussen
[X] , te [Z] , opposant,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.
Behandeling van het verzet
Bij uitspraak van 24 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroep van opposant (met bovengenoemd zaaknummer) met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 4 oktober 2017, door de rechtbank ontvangen op 5 oktober 2017, heeft opposant tegen deze uitspraak verzet gedaan als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 21 december 2017. Opposant is ter zitting verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
De griffier van de rechtbank heeft bij aangetekend schrijven van 18 mei 2017, ter post bezorgd op dezelfde datum en gericht aan het adres [A-straat 1] te [Z] , opposant erop gewezen dat deze ter zake van het instellen van het beroep een griffierecht van € 46 is verschuldigd.
In dit schrijven is vermeld dat het griffierecht uiterlijk binnen vier weken na dagtekening diende te zijn betaald, en dat bij niet tijdige betaling het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Het verschuldigde recht is niet betaald. Voorafgaand daaraan is een beroep op betalingsonmacht griffierecht afgewezen.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling van het verzet
1. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zonder zitting de uitspraak heeft kunnen doen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, dat wil zeggen zonder dat daarover in redelijkheid twijfel mogelijk was. Hierbij zal de rechtbank rekening houden met de gronden die in verzet zijn aangevoerd.
2. De gronden waarop opposant het verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift. Ter zitting zijn daaraan geen nadere argumenten of verweren toegevoegd.
3. In hetgeen door opposant is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 24 augustus 2017.
4. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep in de zin van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank terecht tot sluiting van het onderzoek is overgegaan.
5. Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2018
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;