De rechtbank Gelderland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk binnenbrengen, verkopen en aanwezig hebben van 32 kilogram cocaïne in een container met ananassen. Het onderzoek richtte zich primair op verdachte omdat hij directeur en enig aandeelhouder was van het bedrijf dat de container bestelde en ontving.
De officier van justitie stelde dat verdachte op de hoogte was van de cocaïne in de lading en eiste een gevangenisstraf van vier jaar. De verdediging voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld was en dat verdachte geen opzet had op de invoer of aanwezigheid van cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat de door de officier van justitie aangedragen omstandigheden onvoldoende bewijs leverden voor opzet. Tevens was onvoldoende onderzoek gedaan naar verklaringen van verdachte. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Het verzoek tot opheffing van conservatoir beslag kon niet worden toegewezen omdat de rechtbank daartoe niet bevoegd is.