Verdachte werd beschuldigd van bedreiging met een vuurwapen gericht op het slachtoffer in Arnhem in maart 2017. De officier van justitie stelde dat wettig en overtuigend bewijs bestond dat verdachte het vuurwapen op het slachtoffer richtte, wat redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel of de dood veroorzaakte. De officier eiste een werkstraf van 150 uur.
De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en een getuige, en stelde dat er onvoldoende objectief bewijs was. Volgens de verdediging was er ruimte voor redelijke twijfel.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het wapen kort op het slachtoffer werd gericht, de omstandigheden niet zodanig waren dat er een redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf daadwerkelijk zou worden gepleegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.