Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[verweerder sub 1] ,
[verweerder sub 3]
1.De procedure
2.De feiten
rb) en [Vennoot B] ,
rb). Ik wist op dat moment niet wie de eigenaar van het paard was. (…)
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
het paard voor mij bestemd was en niet voor de verkoop’en
‘ [naam paard] was als het ware mijn paard’, doet hier niet aan af. [Verweerder 3] heeft immers ook verklaard
‘ [Verweerder 1] betaalde alle kosten voor [naam paard] (…). [Verweerder 1] had ook de zeggenschap over het paard, het was zijn paard’. [Verweerder 1] heeft bovendien zelf verklaard: “
[naam paard] was van mij en ik bepaalde wat er met het paard gebeurde. [Verweerder 3] mocht erop rijden, maar ik nam de beslissingen over het paard.”Verder is het [Verweerder 1] die uiteindelijk het paard bij [Verweerder 3] heeft weggehaald en het paard eerst voor zijn nichtje heeft bestemd en daarna voor de verkoop. Alle omstandigheden bij elkaar genomen en in hun onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat [Verweerder 3] [naam paard] niet voor zichzelf hield, maar voor [Verweerder 1] , zodat [Verweerder 3] geen bezitter is geworden in de zin van artikel 3:107 BW Pro.