Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[gefailleerde],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 25 oktober 2017
- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2018.
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland behandelde een geschil tussen de curator van een failliete vennootschap en de gerechtelijk bewaarder die bedrijfsmiddelen in bewaring had genomen na beslaglegging door een beslaglegger met eigendomsvoorbehoud en pandrecht.
De curator stelde dat de bewaarder onrechtmatig had gehandeld door de in beslag genomen zaken zonder rechterlijke toestemming af te geven aan de beslaglegger, waardoor de curator de bedrijfsmiddelen niet meer kon terughalen voor de faillissementsboedel. De rechtbank oordeelde dat de dadingsovereenkomst die later werd gesloten geen invloed had op de juridische situatie ten tijde van het faillissement, en dat het eigendomsvoorbehoud van de beslaglegger feitelijk voorging zolang de koopprijs niet volledig was betaald.
De rechtbank stelde vast dat de bewaarder niet bevoegd was de zaken af te geven zonder een rechterlijke beslissing over de eigendomsvraag, ook al was de bodemzaak niet aangebracht. Het beslag bleef daardoor in stand. De curator krijgt de gelegenheid om nader toe te lichten hoe hij de zaken met succes had kunnen opeisen en welke schade de boedel heeft geleden door de onrechtmatige afgifte.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere uitlatingen van curator en gedaagde, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de gerechtelijk bewaarder onrechtmatig handelde door bedrijfsmiddelen zonder rechterlijke toestemming af te geven, en verwijst de zaak voor nadere toelichting.