ECLI:NL:RBGEL:2018:3877

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 augustus 2018
Publicatiedatum
7 september 2018
Zaaknummer
C/05/337804 KG RK 18-498
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens weigering uitstel zitting

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. D.J. Post, rechter bij de Rechtbank Gelderland, omdat zij vond dat zij geen eerlijke rechtsgang kreeg. Zij stelde dat de rechter onzorgvuldig was door geen uitstel te verlenen voor de zitting van 29 mei 2018, haar onterecht een grievende brief stuurde en niet schriftelijk reageerde op haar verzoek om meerdere zaken samen te voegen.

De rechter verweerde zich en gaf aan dat de weigering van uitstel een gemotiveerde rechterlijke beslissing betrof. De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen mogelijk is bij schijn van vooringenomenheid, en dat de beslissing tot weigering van uitstel niet onjuist of onbegrijpelijk was in die zin dat dit alleen door vooringenomenheid kan worden verklaard.

Ook de communicatie over de grievende brief en het verzoek om zaken samen te voegen leverde geen aanwijzing op voor partijdigheid. De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

De beslissing werd genomen door de wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/337804 KG RK 18-498
Beslissing van 1 augustus 2018
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. D.J. Post,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek, per e-mailbericht ingekomen op 28 mei 2018 en bij brief (ongedateerd), ingekomen op 30 mei 2018;
- de e-mailberichten van verzoekster van 8 juni 2018;
- het schriftelijke verweer van de rechter van 11 juni 2018;
- het e-mailbericht van verzoekster van 21 juni 2018;
- de brief van verzoekster, ingekomen op 27 juni 2018;
- het e-mailbericht van verzoekster van 12 juli 2018;
- de brief van verzoekster, ingekomen op 13 juli 2018;
- de e-mailberichten van verzoekster van 13, 16, 17, 18, 19 juli 2018;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 19 juli 2018.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is noch verzoekster, noch de rechter verschenen. Beide partijen hebben op voorhand laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer ARN AWB 17/2000 tussen verzoekster en Schadefonds Geweldsmisdrijven.
2.2.
Verzoekster stelt dat zij geen eerlijke rechtsgang en proces krijgt. Daaraan heeft zij, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De rechter heeft haar geen uitstel verleend voor de zitting van 29 mei 2018, hij is onzorgvuldig geweest omdat zij ten onrechte een grievende brief heeft ontvangen met het verwijt dat haar stukken te laat waren en zij heeft geen schriftelijk antwoord gekregen op haar verzoek om meerdere zaken bijeen te voegen.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer
gevoerd. Dat verweer wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Verzoekster vindt dat de rechter partijdig heeft gehandeld in haar zaak door een onjuiste beslissing te nemen. In deze zaak was op 29 mei 2018 een mondelinge behandeling gepland en de rechter heeft het door verzoekster verzochte uitstel van die zitting niet toegestaan.
3.2.
De rechter voert aan dat de weigering van uitstel van de zitting een beslissing is in het kader van de behandeling van de zaak. Hij heeft het verzoek om uitstel zorgvuldig behandeld en de afwijzing ervan gemotiveerd.
3.3.
De wrakingskamer is het met de rechter eens dat zijn beslissing om het verzochte uitstel niet toe te staan een rechterlijke beslissing is. De rechter heeft deze beslissing gemotiveerd en hij heeft deze motivering aan verzoekster meegedeeld. Duidelijk is dat verzoekster het met deze beslissing niet eens was en is, maar de juistheid van de rechterlijke beslissing kan alleen worden beoordeeld als in de zaak met nummer ARN AWB 17/2000 uitspraak is gedaan en tegen die uitspraak een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) wordt aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing, gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of zo onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Overigens blijkt uit niets dat de rechter vooringenomen is geweest danwel de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt bij het nemen van de beslissing om het uitstel niet toe te staan.
3.4.
Ten aanzien van wat verzoekster naar voren brengt over de grievende brief en haar verzoek om meerdere zaken bijeen te voegen, is de wrakingskamer van oordeel dat dat geen aanknopingspunt oplevert dat de rechter met verzoekster heeft gecommuniceerd op een wijze die partijdig is of de schijn van partijdigheid heeft gewekt.
3.5.
De conclusie is dat het verzoek wordt afgewezen.
3.6.
Gelet op het eerdere wrakingsverzoek van verzoekster, tegen “een rechter van deze rechtbank”, welk verzoek echter evident betrekking had op dezelfde zaak als onderhavig wrakingsverzoek, zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in deze zaak, ook wanneer zij zich beroept op nieuwe feiten of omstandigheden, niet in behandeling wordt genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de zaak met nummer ARN AWB 17/2000 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. H.P.M. Kester-Bik, A.F. Germs-de Goede en G.W.B. Heijmans in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. van Schelven en in openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing getekend door mr. A.F. Germs-de Goede.
- de griffier - de rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.