Uitspraak
[veroordeelde](hierna te noemen: veroordeelde),
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingesteld tegen verdachte, waarbij aanvankelijk een bedrag van €282.072,30 werd gevorderd als wederrechtelijk verkregen voordeel. Tijdens de terechtzitting op 18 oktober 2018 werd deze vordering aangepast tot €92.346,10.
Verdachte was eerder vrijgesproken van het tenlastegelegde feit waarop de vordering was gebaseerd. De rechtbank oordeelde dat, gelet op deze vrijspraak en het ontbreken van voldoende bewijs voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij en stroomdiefstal, de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen.
Op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 1 november 2018.
Uitkomst: De ontnemingsvordering is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid van verdachte.