Eiser exploiteerde op zijn perceel een bijgebouw dat werd gebruikt voor krantendistributie, welke het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst aanmerkte als strijdig met het bestemmingsplan 'Wonen-1'. Het college legde daarom een last onder dwangsom op en wees een bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het gebruik niet kwalificeert als een aan huis verbonden bedrijf, omdat de bedrijfsactiviteiten niet door de bewoner zelf werden uitgevoerd.
De rechtbank stelde vast dat het college geen aanvullend onderzoek hoefde te verrichten naar het gebruik en dat overlast niet relevant is voor de strijdigheid met het bestemmingsplan. Eiser had geen aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend omdat ambtenaren van de gemeente hadden verklaard dat een aanvraag kansloos was. De rechtbank vond deze handelswijze in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat op het perceel reeds vergelijkbare bedrijfsactiviteiten waren toegestaan en de krantendistributie al ruim 15 jaar legaal plaatsvond.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, waarbij het college moet onderzoeken of een vergunning had kunnen worden verleend. Tevens werd het door eiser betaalde griffierecht vergoed. Het beroep werd gegrond verklaard omdat het college onzorgvuldig had gehandeld door eiser te ontmoedigen een vergunningaanvraag in te dienen.