ECLI:NL:RBGEL:2018:5214

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 december 2018
Publicatiedatum
7 december 2018
Zaaknummer
U18_3725
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen terugvordering door gemeente Ede

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, waarbij zijn bezwaar tegen een eerder besluit niet-ontvankelijk is verklaard. Het primaire besluit, dat betrekking heeft op een terugvordering van € 9.061,69, is op 20 juli 2016 naar eiser verzonden. Eiser heeft op 13 februari 2018 bezwaar gemaakt, nadat hij op 9 februari 2018 kennisnam van het primaire besluit. De rechtbank heeft onderzocht of het bezwaar tijdig was ingediend. Verweerder stelde dat eiser te laat bezwaar had gemaakt, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit op de juiste wijze was verzonden. De rechtbank concludeerde dat de bezwaartermijn pas begon te lopen op 10 februari 2018, de dag waarop eiser het primaire besluit ontving. Hierdoor was het bezwaar van eiser tijdig en had verweerder dit niet-ontvankelijk mogen verklaren. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen om alsnog inhoudelijk op het bezwaar van eiser te beslissen. Tevens is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002 en moet het griffierecht van € 46 worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/3725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

het college van burgemeester en wethouders gemeente Ede te Ede, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 mei 2018 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit) wegens niet tijdige indiening ervan niet-ontvankelijk is verklaard.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 november 2018. Namens eiser is mr. D.W.M. van Erp verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Klok.

Overwegingen

1. Met het primaire besluit heeft verweerder € 9.061,69 teruggevorderd van eiser.
Eiser heeft daar bij brief van 13 februari 2018 bezwaar tegen genaakt. Tussen partijen is in geschil of dit bezwaar ontvankelijk is.
2.1
Verweerder stelt dat eiser (veel) te laat bezwaar heeft gemaakt. Het primaire besluit is op 20 juli 2016 naar het adres van eiser gezonden. Van problemen met de postbezorging is niet gebleken. De bezwaartermijn van zes weken is dus volgens verweerder op 21 juli 2016 aangevangen.
Subsidiair stelt verweerder dat een afschrift van het primaire besluit als bijlage bij verweerders brief van 14 november 2016 aan eiser is toegezonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn in ieder geval op 15 november 2016 is aangevangen. Eiser heeft ruim na afloop van de termijn bezwaar gemaakt zonder dat daar volgens verweerder een verschoonbare reden voor is. Verweerder heeft het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
2.2
Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat hij op 2 februari 2018 een aanmaning van verweerder ontving en naar aanleiding daarvan direct om toezending van het dossier heeft verzocht. Eerst op 9 februari 2018 heeft hij kennisgenomen van het primaire besluit. Door vervolgens binnen twee weken na kennisname bij brief aan verweerder te laten weten dat hij het niet eens is met het primaire besluit heeft eiser naar eigen zeggen tijdig bezwaar gemaakt.
3. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.
3.1
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen.
De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
3.2
Vaststaat dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. Het primaire besluit bevat geen verzenddatum. Van een deugdelijke verzendadministratie is niet gebleken.
Verweerder heeft de gestelde verzending van het primaire besluit op 20 juli 2016 dus niet aannemelijk gemaakt.
4. Dan de door verweerder gestelde verzending van het primaire besluit als bijlage bij de brief van 14 november 2016.
4.1
Achtergrond voor het versturen van deze brief is een brief van 22 september 2016 waarin verweerder - kort gezegd - aan eiser bericht dat hij niet voldoet aan zijn betalingsverplichting en daardoor de achterstand is opgelopen tot € 9.061,69. Eiser heeft bij brief van 30 september 2016 aan verweerder gevraagd ‘waar de achterstand op gebaseerd is en aan welke betalingsverplichting [hij] niet zou voldoen’. In verweerders brief van 14 november 2016 staat, voor zover hier van belang:

U loste maandelijks € 420,99 af op uw schuld aan de gemeente Ede (zie brief 19 augustus 2015). Dit betreft de onderhoudsbijdrage, ten behoeve van uw kind Mitchell (…) De laatste betaling is echter van 14 januari 2016 terwijl er nog een bedrag van € 7.906,92 open staat.
Verder heeft u nog een schuld aan de gemeente Ede omdat wij (…) aan mevrouw P.A. Brom bijstand [hebben] verleend, terwijl u over deze een gezamenlijke huishouding voerde met haar (…). U bent beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de bijstand die hierdoor ten onrechte is uitbetaald. Het gaat om een bedrag van € 9.061,69 bruto (zie beschikking 20 juli 2016).
4.2
Verweerder wijst erop dat eiser zelf om uitleg heeft gevraagd en heeft erkend dat hij de brief van 14 november 2016 heeft ontvangen. Verweerder stelt dat uit het feit dat in de tekst van de brief van 14 november 2016 wordt verwezen naar twee (niet meer en niet minder) brieven die met data worden genoemd en het gegeven dat bovenaan de brief staat ‘bijlage(n) 2’ blijkt dat het primaire besluit als bijlage is meegestuurd. Dit blijkt volgens verweerder ook uit de door hem overgelegde schriftelijke verklaring van A.S.H. Tromp, medewerker Administratie, terugvordering en Verhaal van 16 mei 2018, waarin staat dat bij de brief van 14 november 2016 als bijlagen gevoegd zijn twee brieven betreffende de onderwerpen van de brief (onderhoudsbijdrage en hoofdelijke schuld):
- de brief van 19 augustus 2015 (…);
- de beschikking d.d. 20 juli 2016 betreffende de terugvordering van een schuld ad
€ 9.061,69.
Eisers ontkenning van de ontvangst van (enkel) de bijlagen bij deze brief is volgens verweerder gelet op het voorgaande niet geloofwaardig.
4.3
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser betwist gemotiveerd dat hij het primaire besluit als bijlage bij de - niet aangetekend verstuurde - brief van 14 november 2016 heeft ontvangen. Dat eiser heeft erkend dat hij de brief van 14 november 2016 op of kort na
14 november 2016 heeft ontvangen, betekent, anders dan verweerder meent, niet dat verweerder daarmee ook aannemelijk heeft gemaakt dat hij een afschrift van het primaire besluit als bijlage bij deze brief heeft meegestuurd. Het is aan verweerder om ook de verzending van deze bijlage aannemelijk te maken. Verweerder is daarin niet geslaagd. Verweerder heeft geen verzendadministratie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij met de brief van 14 november 2016 als bijlage het primaire besluit heeft meegestuurd. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat de brief van 14 november 2016 - zoals die zich in het door verweerder toegezonden procesdossier bevindt - geen bijlagen bevat. De door verweerder overgelegde schriftelijke verklaring acht de rechtbank onvoldoende. Deze verklaring is bijna twee jaar na de door verweerder gestelde verzending van de bijlage opgesteld en uit de inhoud ervan valt niet op te maken dat en waarom deze medewerker zich nog zou kunnen herinneren dat hij bijna twee jaar eerder al dan niet (een) bijlage(n) heeft gevoegd bij de betreffende brief. Dat in de tekst van de brief wordt verwezen naar het primaire besluit is onvoldoende, aangezien in de tekst niet staat dat het primaire besluit als bijlage is bijgevoegd. Dat er bovenaan de brief staat ‘bijlage(n) 2’ maakt dit niet anders, omdat ook daar niet staat welke bijlagen gesteld zijn bijgesloten.
4.4
Voor zover verweerder heeft willen stellen dat het primaire besluit met de verwijzing ernaar in de brief van 14 november 2016 bekend is gemaakt, geldt dat dit naar vaste rechtspraak niet kan niet gelden als een juiste bekendmaking van dat besluit, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.5
Verweerder heeft de gestelde verzending van het primaire besluit op of omstreeks
14 november 2016 dus evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Van een vermoeden van ontvangst van het primaire besluit op of omstreeks 14 november 2016 is dan geen sprake. Aan de vraag of eiser de ontvangst van het primaire besluit geloofwaardig heeft ontkend, komt de rechtbank dan ook niet toe.
5. Dit betekent dat de bezwaartermijn van zes weken eerst is gaan lopen op
10 februari 2018, de dag na het moment waarop verweerder het primaire besluit op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend heeft gemaakt, namelijk door dit desgevraagd op
9 februari 2018 aan eiser toe te zenden. Eiser heeft vervolgens bij brief van 13 februari 2018 en daarmee binnen de termijn bezwaar gemaakt.
6. Slotsom is dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder dient alsnog inhoudelijk op het bezwaar van eiser te beslissen.
7. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 501 en een wegingsfactor 1) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
4. Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond,
  • vernietigt het bestreden besluit,
  • draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak op het bezwaar van eiser te beslissen,
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 1002;
  • bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van A.A. Hommel, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.