In deze kort geding procedure vordert eiseres, de lessee van een Volkswagen Up, dat gedaagde de auto aan haar aflevert. Gedaagde hield de auto onder zich nadat lener A, die failliet was verklaard, de auto en sleutels bij hem had achtergelaten als onderpand voor een lening.
Gedaagde stelde een pandrecht op de auto te hebben gevestigd en voerde tevens een retentierecht aan. De rechtbank oordeelde dat lener A niet beschikkingsbevoegd was om een pandrecht te vestigen omdat zij de auto slechts in gebruik had van eiseres. Het beroep op goede trouw faalde omdat gedaagde had moeten twijfelen en onderzoek had moeten doen.
Ook het retentierecht kon niet worden ingeroepen tegen eiseres, omdat de vordering van gedaagde niet voortkwam uit een overeenkomst met betrekking tot de auto. Het beroep op opschorting faalde eveneens. De rechtbank veroordeelde gedaagde tot afgifte van de auto binnen een week, met een dwangsom bij niet-naleving, en wees de vordering tot voorschot op schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing.