Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00
Rechtbank Gelderland
Eiser en gedaagde, beiden melkveehouders, zijn een mondelinge overeenkomst aangegaan waarbij eiser pinken van gedaagde opfokte. Op 2 juli 2015 waren 19 koeien van gedaagde bij eiser ingeschaard. Fosfaatrechten, gekoppeld aan het aantal gehouden koeien op die datum, zijn toegekend aan gedaagde, maar eiser stelt dat hij als feitelijke houder recht heeft op deze rechten.
De Meststoffenwet bepaalt dat fosfaatrechten worden toegekend aan het bedrijf waar het vee op 2 juli 2015 werd gehouden en geregistreerd. Hoewel het vee feitelijk bij eiser was gestald en verzorgd, was het geregistreerd op naam van gedaagde. De rechtbank oordeelt dat het vee op het bedrijf van eiser werd gehouden en dat eiser in beginsel recht heeft op de fosfaatrechten.
Echter, op grond van de wet kan een uitschaarder die aantoont dat hij vee had uitgeschaard aanspraak maken op de rechten, mits instemming van de inschaarder. Omdat instemming van eiser ontbreekt, wordt voorlopig toegewezen dat gedaagde tweederde van de fosfaatrechten moet overdragen aan eiser. Hiermee wordt het risico van strafvervolging voor eiser weggenomen. Gedaagde wordt veroordeeld tot overdracht binnen drie dagen, betaling van een dwangsom bij niet-naleving en proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde moet binnen drie dagen tweederde van de fosfaatrechten overdragen aan eiser, onder dwangsom en proceskostenveroordeling.