De zaak betreft een verzoek van een moeder die met een voorlopig getuigenverhoor wilde aantonen dat Jeugdbescherming Gelderland en de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R) een onjuist beeld hadden van haar opvoedkundige kwaliteiten en dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar minderjarige kinderen onterecht waren.
De kinderen waren op verzoek van Jeugdzorg in 2012 uit huis geplaatst en bleven tot eind 2014 onder toezicht. Een deskundige stelde in een rapport van oktober 2014 vast dat er geen aanwijzingen waren voor loyaliteitsproblemen en dat de moeder voldoende pedagogische vaardigheden had. De verzoekster wilde met getuigen bewijzen dat de eerdere beslissingen onterecht waren.
De rechtbank oordeelde echter dat het verzoek geen concrete feiten bevatte die zich voor bewijslevering lenen en dat de eerdere beslissingen door rechterlijke instanties voldoende waren getoetst en bekrachtigd. Een formele procedurefout in het hulpverleningstraject was reeds bekend en kon met een getuigenverhoor niet worden opgehelderd.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De beschikking werd op 5 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.