Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 maart 2019
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
- over het eerste kwartaal 2013 op 3 mei 2013
- over het tweede kwartaal 2013 op 30 juli 2013;
- over het derde kwartaal 2013 op 1 november 2013;
- over het vierde kwartaal 2013 op 30 januari 2014;
- over het eerste kwartaal 2014 op 30 april 2014;
- over het tweede kwartaal 2014 op 28 juli 2014;
- over het vierde kwartaal 2014 op 29 januari 2015.
- eiser ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor het eerste kwartaal 2013; dit bewaar is gegrond verklaard en voor dit kwartaal is teruggave verleend;
- eiser wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren tegen de voldoening op aangifte voor het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014; de verzoeken om ambtshalve teruggave zijn afgewezen. De verzoeken om ambtshalve teruggave voor 2015 zijn wel toegewezen.
Overwegingen
voet van artikel 11, eerste lid onder g, van de Wet OB.
Geschil
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.536;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 aan eiser te vergoeden.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;