ECLI:NL:RBGEL:2019:160

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
AWB18/6470 en 18/6883
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 GrondwetArt. 1:3 AwbArt. 11 Wom
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake beëindiging woonwagenactie en kwalificatie als betoging

Verzoekers, woonwagenbewoners, voerden een actie door caravans te plaatsen om aandacht te vragen voor het landelijke gebrek aan standplaatsen en de uitvoering van het Beleidskader gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid. Verweerder, de burgemeester van de gemeente Buren, gelastte op 6 december 2018 de beëindiging van deze actie, stellende dat de betoging was geëindigd.

De voorzieningenrechter beoordeelde of de actie nog als betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties (Wom) kon worden aangemerkt. Gezien het ontbreken van een gemeenschappelijke meningsuiting en het feit dat de actie vooral uit feitelijke bezetting bestond, werd geoordeeld dat geen sprake meer was van een betoging. Hierdoor werd de aanschrijving aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel, waartegen geen bezwaar of beroep openstaat.

De rechter constateerde dat de opdracht tot beëindiging en het opgelegde gebiedsverbod verwarrend en te vergaand waren, en schorste daarom dit deel van de aanschrijving. De overige verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekers.

Uitkomst: De aanschrijving is geen besluit in de zin van de Awb, maar het gebiedsverbod en handhavingsdreiging zijn geschorst; overige verzoeken zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 18/6470 en 18/6883

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] ,

[verzoeker 2] ,
[verzoeker 3]
[verzoeker 4] ,
[verzoeker 5]
[verzoeker 6] ,
[verzoeker 2] ,
[verzoeker 8] ,
[verzoeker 9] ,
verzoekers 1 ( [naam 1] e.a.),
(gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching),

[verzoeker 10] , en

[verzoeker 11],
verzoekers 2 [naam 2] e.a.),
(gemachtigde: mr. M.A. Berkvens-van Wijk),
gezamenlijk aangeduid als verzoekers,
en

de burgemeester van de gemeente Buren, verweerder.

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer)

Procesverloop

Bij brief van 6 december 2018 heeft verweerder verzoekers aangeschreven.
Verzoekers hebben tegen deze aanschrijving bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 januari 2019. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Pommer en mr. S. Witjes.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekers maken deel uit van een woonwagenfamilie. Zij willen verweerder bewegen om uitvoering te geven aan het Beleidskader gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) van juli 2018 (het Beleidskader). Daarom hebben zij caravans geplaatst en vragen zij aandacht voor het landelijk gebrek aan standplaatsen voor woonwagenbewoners. Hun actie maakt bovendien onderdeel uit van een gecoördineerde landelijke actie: woonwagenbewoners hebben op een groot aantal plaatsen in Nederland caravans neergezet om aandacht te vragen voor het gebrek aan standplaatsen in Nederland en om druk te zetten op de uitvoering van het Beleidskader.
3. Verweerder heeft verzoekers op 6 december 2018 gelast hun actie te beëindigen. Verweerder stelt zich hiertoe op het standpunt dat, hoewel in eerste instantie sprake was van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties (Wom), deze inmiddels is geëindigd. Voor zover daar wel sprake van is, dient deze betoging uiterlijk 7 december 2018 beëindigd te worden.
4. Indien de actie van verzoekers zoals verweerder stelt niet langer voldoet aan de vereisten van de Wom, moet de vaststelling daarvan worden aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel, waartegen behoudens uitzonderingen geen rechtsmiddel open staat. Is daarentegen wel sprake van een betoging, zoals verzoekers stellen, dan dient de aanschrijving van 6 december 2018 te worden aangemerkt als een besluit, waartegen bezwaar en beroep open staat. In dat geval komt ook betekenis toe aan de door verweerder gegeven opdracht de actie te beëindigen. Om te beoordelen of deze opdracht betekenis heeft, zal de voorzieningenrechter daarom eerst ingaan op de vraag of de actie van verzoekers kan worden aangemerkt als een betoging in de zin van de Wom.
5. In artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Aan het tweede lid is uitvoering gegeven in de Wom.
6.1
Bij een betoging gaat het volgens de grondwetgever en de wetgever om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten en wensen op politiek of maatschappelijk gebied. Het uitdragen van een gemeenschappelijke mening door de deelnemers is daarbij een bepalend element. Acties die niet of niet primair het karakter hebben van gemeenschappelijke meningsuiting maar waarbij andere elementen zoals bijvoorbeeld feitelijke dwang overheersen, zijn geen betoging in de zin van de Wom.
6.2
Verzoekers stellen dat hun actie als volgt is ingericht. Dagelijks plaatsen zij caravans. In verband met ziekte van een familielid hebben zij een paar dagen geen actie kunnen voeren, maar op de ochtend van de zitting hebben zij de caravans weer geplaatst. Momenteel staan de caravans op [adres] in [plaats] . Via berichten op hun eigen persoonlijke facebookpagina houden zij bij wat er gebeurt en ook tonen zij life beelden. Zo houden zij de media en buitenwereld op de hoogte van hun actie. Een paar weken geleden hebben zij bovendien een plaatselijke journalist benaderd om bekendheid te geven aan hun actie. Spandoeken hangen zij niet meer op. Deze waaien kapot of worden door hangjeugd kapot gemaakt. Omdat zij van verweerder niet langer mogen overnachten, breken zij ’s avonds noodgedwongen hun kampement op.
6.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van het in het openbaar uiten van gedachten en gevoelens in de vorm van een gemeenschappelijke meningsuiting. Het via facebook mensen informeren is onvoldoende om van het in het openbaar uiten van gemeenschappelijke gedachten en doelen te spreken. Dat hun spandoeken verloren zijn gegaan, maakt dat niet anders. Daarom heeft verweerder terecht geoordeeld dat de bezetting van de publieke ruimte met het kampement niet langer het karakter heeft van een betoging in de zin van artikel 9 van Pro de Grondwet en de Wom.
7. De enkele vaststelling dat geen sprake is van een betoging in de zin van de Grondwet en de Wom roept op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Daarom dient dit te worden aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen geen rechtsmiddel openstaat. In uitzonderingssituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. [1] Daarvan is hier geen sprake, het is voor verzoekers niet onevenredig bezwarend om een geschil over de interpretatie van deze bepalingen pas aan de orde te stellen in het kader van een eventueel besluit om handhavend op te gaan treden. Van een besluit waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld is daarom thans geen sprake. Een bezwaar daartegen is daarom niet-ontvankelijk.
8. Verweerder heeft in de aanschrijving niet alleen een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven, maar ook verzoekers gesommeerd hun actie te beëindigen en beëindigd te houden en hen zelfs opgedragen de gemeente Buren te verlaten. Bovendien heeft verweerder overwogen dat, indien verzoekers hier niet aan voldoen, zij handelen in strijd met het bepaalde in artikel 11, van de Wom, hetgeen een strafbaar feit oplevert. Ter zitting heeft verweerder erkend dat – uitgaande van de stelling dat geen sprake is van een betoging – hier geen rechtsgrond voor is, en dat deze opdracht in het besluit op bezwaar zal worden ingetrokken. Hij heeft het echter niet reeds ter zitting ingetrokken.
De voorzieningenrechter stelt vast dat deze opdracht aan verzoekers verwarrend werkt, in strijd is met het oordeel dat geen sprake meer is van een betoging en bovendien – zeker gelet op het gebiedsverbod – veel te ver gaat. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het besluit te schorsen voor zover hierin aanwijzingen aan verzoekers worden gegeven. Het betreft de alinea op pagina twee, startende met “Het voorgaande betekent … Ook hiertegen zal handhavend worden opgetreden”.
9. Samenvattend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanschrijving van 6 december 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, als gevolg waarvan daartegen dan ook geen bezwaar kan worden gemaakt. De tegen deze aanschrijving gemaakte bezwaren zullen daarom naar verwachting door verweerder niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in zoverre daarom geen aanleiding. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding het in de aanschrijving opgenomen (voorwaardelijke) besluit te schorsen voor zover hierin aanwijzingen aan verzoekers worden gegeven.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter ten behoeve van [naam 1] e.a. (18/6470) vast op € 1024,-. [2] Ten behoeve van [naam 2] e.a. (18/6883) stelt de voorzieningenrechter deze kosten vast op € 512,-. [3]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningenrechter deels toe;
  • schorst de alinea op pagina twee, startende met “Het voorgaande betekent … Ook hiertegen zal handhavend worden opgetreden”;
  • wijst de verzoeken om voorlopige voorziening voor het overige af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van [naam 1] e.a. (18/6470) tot een bedrag van € 1024;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van [naam 2] e.a. (18/6883) tot een bedrag van € 512;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170, - aan [naam 1] e.a. te vergoeden;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan [naam 2] e.a. te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2955.
2.Ten behoeve van [naam 1] e.a.: voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1.
3.Ten behoeve van [naam 2] e.a.: voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 512 en wegingsfactor 1.