AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling dwaling bij aandelenoverdracht en fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Eiseres, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, verkocht in 2013 de helft van haar aandelen in een dochtermaatschappij, waardoor de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting werd verbroken. In 2016 tekenden eiseres en koper een vernietigingsverklaring waarin werd gesteld dat koper ten aanzien van de koop had gedwaald. Eiseres stelde dat hierdoor de aandelenoverdracht nietig was en de fiscale eenheid nooit was verbroken.
Verweerder betwistte het beroep op dwaling en stelde dat de vernietigingsverklaring geen terugwerkende kracht heeft voor fiscale doeleinden. De rechtbank onderzocht of sprake was van een reële vernietigingsgrond op grond van dwaling volgens artikel 6:228 BWPro. Eiseres kon niet aannemelijk maken dat zij bij de aandelenoverdracht een onjuiste voorstelling van zaken had, mede omdat de bestuurder ten tijde van de overdracht niet op de hoogte was van het wegvallen van belangrijke klanten.
De rechtbank nam ook het lange tijdsverloop tussen overdracht en vernietiging mee in haar oordeel. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor dwaling concludeerde de rechtbank dat de fiscale eenheid sinds 2013 is verbroken en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het beroep tegen de belastingrentebeschikkingen afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de fiscale eenheid sinds 2013 is verbroken.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummers: AWB 17/5193 en 17/5194
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 mei 2019
in de zaken tussen
[X] B.V., te [Z] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 16.328. Tevens is bij beschikking € 95 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder voor het jaar 2015 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 29.378. Bij beschikking is daarbij € 358 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 augustus 2017 en 25 september 2017 de aanslagen Vpb 2014 en 2015 en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen bij fax van 8 november 2017 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019.
Namens eiseres zijn verschenen mr. [A] (gemachtigde) en de heer [B] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [C] en [D] .
Overwegingen
Feiten
1. Enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres was de heer [E] .
2. [E] was de vader van de heer [B] (hierna ook te noemen: vader). [B] is sinds 2005 werkzaam binnen de door vader opgezette onderneming (zie hierna onder 5).
3. [B] is 100% aandeelhouder alsmede bestuurder van [F] BV.
4. Eiseres was tot [2013 1] enig aandeelhouder van [G] BV.
5. [G] BV houdt 100% van de aandelen in [H] BV. Laatgenoemde BV drijft een onderneming op het gebied van import/export en groothandel in diagnostica.
6. Eiseres vormde als moedermaatschappij een fiscale eenheid voor de Vpb, samen met [G] BV en [H] BV.
7. Bij akte van [2013 1] heeft eiseres 899 van haar 1800 aandelen [G] BV overgedragen aan [F] BV voor € 429.022 (hierna: de aandelenoverdracht). Per dezelfde datum zijn eiseres en [F] BV als bestuurder van [G] BV in functie getreden. Op grond van een glijclausule in de koopovereenkomst heeft [F] BV nadien nog een bijbetaling van € 125.809 verricht.
8. Als gevolg van de aandelenoverdracht is de onder 6. genoemde fiscale eenheid geëindigd.
9. Op [2013 2] is vader overleden.
10. Sinds 11 juni 2015 is [B] enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres.
11. Op 12 mei 2016 hebben eiseres (vertegenwoordigd door [B] ) en [F] BV (eveneens vertegenwoordigd door [B] ) een vernietigingsverklaring ondertekend (hierna: de vernietigingsverklaring). Uit de vernietigingsverklaring blijkt onder meer het volgende:
"(…)
In aanmerking nemende dat:
(…)
- [F] in 2013 geheel onverwacht geconfronteerd werd met het (structureel) wegvallen van omzet met maar liefst 65% ten opzichte van 2012 en 60% ten opzichte van 2011;
- Deze vrije val van de omzet niet is toe te schrijven aan een normale marktontwikkeling;
- Dit verlies aan omzet nagenoeg geheel is toe te schrijven aan het verlies van enkele grote afnemers/klanten;
- Deze afnemers/klanten [B] reeds voor de hiervoor genoemde koop en levering te kennen hadden gegeven voornemens te zijn hun relatie met [H] BV te zullen beëindigen;
- [B] heeft nagelaten [F] hierover te informeren;
- [F] de onderhavige koop niet had gesloten als hij ervan tijdig op de hoogte was geweest;
- [F] stelt ten aanzien van de koop van de aandelen [G] te hebben gedwaald en [B] deze dwaling erkent,
Verklaren als volgt:
Artikel 1
[F] heeft ter zake van de koop 899 aandelen (…) in [G] gedwaald in die zin dat hij deze koop bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten.
Artikel 2
[F] vernietigt hiermee de in artikel 1 genoemdePro koopovereenkomst op grond van dwaling. [B] erkent/berust in deze dwaling en de vernietiging van de koopovereenkomst. Voor zoveel nodig zal [B] haar medewerking verlenen aan de teruglevering van de verkochte aandelen.
(…)"
12. Bij notariële akte van 5 juli 2016 zijn de door [F] BV gehouden aandelen in [G] BV, teruggeleverd aan eiseres.
Geschil
13. Tussen partijen is in geschil of in 2014 en 2015 sprake is van een fiscale eenheid tussen eiseres en [G] BV en [H] BV.
14. Eiseres stelt dat sprake is van dwaling in de zin van artikel 6:228, eerste lid onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als gevolg van de vernietigingsverklaring is er nooit een geldige titel geweest voor de eigendomsoverdracht van de aandelen. Door de absolute nietigheid van de aandelenoverdracht is de fiscale eenheid nooit verbroken. Voor het jaar 2014 zou dit, aldus eiseres, dienen te resulteren in een belastbare winst van negatief € 37.465. Voor het jaar 2015 heeft eiseres de mogelijke Vpb gevolgen van het niet-verbreken van de fiscale eenheid niet nader onderbouwd.
15. Verweerder betwist dat in de jaren 2014 en 2015 sprake is van een fiscale eenheid. Primair stelt verweerder dat er geen sprake is van een rechtsgeldig beroep op dwaling, zodat aan de vernietigingsverklaring geen betekenis toekomt. Voor zover wel sprake is van een vernietiging van de aandelenoverdracht als gevolg van dwaling komt hieraan -kort gezegd- voor Vpb doeleinden geen terugwerkende kracht toe.
Beoordeling van het geschil
Dwaling
16. Ingevolge artikel 6:228, eerste lid, van het BW, is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar (a) indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten, (b) indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten en (c) indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Ingevolge artikel 6:228, tweede lid, van het BW, kan de vernietiging niet worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.
17. Weliswaar kan alleen een contractspartij een beroep doen op artikel 6:228, tweede lid, van het BW en niet een derde zoals verweerder, dit laat echter onverlet dat wanneer verweerder zich verzet tegen het bestaan van een vernietigingsgrond de rechtbank zal moeten toetsen of sprake is geweest van een reële vernietigingsgrond in de zin van artikel 6:228, eerste lid, onderdeel b, van het BW, of dat de bij de vernietigingsverklaring betrokken partijen het bestaan van een vernietigingsgrond slechts hebben voorgewend (vgl. Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZC8145, rechtsoverweging 3.5). In dat laatste geval kan aan de vernietigingsverklaring geen waarde worden toegekend.
18. Verweerder betwist dat sprake is geweest van dwaling. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder (onder meer) gesteld dat niet gebleken is dat er in het jaar 2013 een omzetdaling van 65% heeft plaatsgevonden ten opzichte van het jaar 2012, en 60% ten opzichte van het jaar 2011. Verder is niet gebleken dat eiseres als verkoper hiervan op de hoogte zou zijn geweest vóór het moment van levering en daarover niets heeft gezegd. Verweerder acht dit te minder aannemelijk aangezien het een "vader-zoon" transactie betreft. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat uit de aangifte omzetbelasting 2012 van eiseres over de maand(-en) november en december kan worden opgemaakt dat de omzet met respectievelijk 49,8% en 27,3% is afgenomen, ten opzichte van de gemiddelde omzet in het jaar 2012. Verweerder heeft in dit verband tevens gesteld dat de koopsom voor de aandelen nagenoeg gelijk is geweest aan (de helft van) het eigen vermogen [G] BV per 31 december 2012, waaruit verweerder opmaakt dat ter zake van de aandelenoverdracht geen rekening is gehouden met goodwill. Ten slotte acht verweerder het opmerkelijk dat het meer dan drie jaar heeft geduurd alvorens over is gegaan tot vernietiging van de overeenkomst.
19. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder rust op eiseres de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een reële vernietigingsgrond. Dit betekent dat zij voor een geslaagd beroep op dwaling aannemelijk moet maken dat er sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Eiseres is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat vader, als bestuurder van eiseres, ten tijde van de aandelenoverdracht wist dat belangrijke klanten weg zouden vallen. Dat zoon [B] als de huidige bestuurder van eiseres dit heeft verklaard in de vernietigingsverklaring acht de rechtbank niet voldoende bewijs dat er daadwerkelijk sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken. Desgevraagd heeft [B] ter zitting over het wegvallen van de klanten immers slechts verklaard dat in 2013 is gebleken dat twee klanten niet meer bestelden. Op de vraag van de rechtbank of vader al zou hebben geweten dat klanten weggingen, antwoordde [B] dit niet te weten. Nu er geen bron van wetenschap aan de verklaring ten grondslag kan worden gelegd, kan aan de verklaring van eiseres geen betekenis worden toegekend. De rechtbank betrekt in dit oordeel bovendien het lange tijdsverloop tussen de aandelenoverdracht en de vernietigingsverklaring, waarvoor eiseres geen eenduidige verklaring heeft gegeven.
20. Reeds omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een reële vernietigingsgrond met betrekking tot de aandelenoverdracht, luidt de conclusie dat in de jaren 2014 en 2015 geen sprake is van een fiscale eenheid. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
21. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. drs. R.W.J van der Struijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 mei 2019
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;