Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
Rechtbank Gelderland
Bij vonnis van 21 december 2015 is het faillissement van een besloten vennootschap uitgesproken met benoeming van een curator en rechter-commissaris. Twee appellanten hebben op 24 januari 2019 een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om de curator te bevelen het faillissement te beëindigen. De rechter-commissaris verklaarde beide appellanten niet-ontvankelijk in hun verzoek. Hiertegen is hoger beroep ingesteld.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van de appellanten. Eén appellant was privé failliet verklaard en had geen contact met zijn curator, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard. De andere appellant, statutair bestuurder van de gefailleerde vennootschap, werd ontvankelijk verklaard.
Inhoudelijk stelde de ontvankelijke appellant dat het actief van de boedel voldoende was om alle crediteuren te betalen en dat verdere incasso onnodig was. De curator betoogde dat nog activa te gelde gemaakt konden worden, waaronder vorderingen op familieleden van de appellanten, en dat afwikkeling nog niet in het belang van de boedel was.
De rechtbank oordeelde dat de curator een zo hoog mogelijke opbrengst moet nastreven, ook met het oog op rente en niet-verifieerbare schulden, en dat uitdeling aan aandeelhouders pas kan plaatsvinden na volledige voldoening van schuldeisers. Omdat nog vorderingen openstonden en afwikkeling tot selectieve inning zou leiden, wees de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het faillissement af.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het faillissement van de besloten vennootschap wordt afgewezen.