ECLI:NL:RBGEL:2019:1985

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2019
Publicatiedatum
8 mei 2019
Zaaknummer
C/05/350409 / HA RK 19-62
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 FwArt. 69 FwArt. 25 FwArt. 2:23a BWArt. 2:23c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging faillissement besloten vennootschap

Bij vonnis van 21 december 2015 is het faillissement van een besloten vennootschap uitgesproken met benoeming van een curator en rechter-commissaris. Twee appellanten hebben op 24 januari 2019 een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om de curator te bevelen het faillissement te beëindigen. De rechter-commissaris verklaarde beide appellanten niet-ontvankelijk in hun verzoek. Hiertegen is hoger beroep ingesteld.

De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van de appellanten. Eén appellant was privé failliet verklaard en had geen contact met zijn curator, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard. De andere appellant, statutair bestuurder van de gefailleerde vennootschap, werd ontvankelijk verklaard.

Inhoudelijk stelde de ontvankelijke appellant dat het actief van de boedel voldoende was om alle crediteuren te betalen en dat verdere incasso onnodig was. De curator betoogde dat nog activa te gelde gemaakt konden worden, waaronder vorderingen op familieleden van de appellanten, en dat afwikkeling nog niet in het belang van de boedel was.

De rechtbank oordeelde dat de curator een zo hoog mogelijke opbrengst moet nastreven, ook met het oog op rente en niet-verifieerbare schulden, en dat uitdeling aan aandeelhouders pas kan plaatsvinden na volledige voldoening van schuldeisers. Omdat nog vorderingen openstonden en afwikkeling tot selectieve inning zou leiden, wees de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het faillissement af.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het faillissement van de besloten vennootschap wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/350409 / HA RK 19-62
insolventienummer: F.05/15/977
Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 22 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ingekomen beroepschrift ex artikel 67 van Pro de Faillissementswet (hierna: Fw) door:

1.[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats appellant 1] ,
2.
[appellant 2],
verblijvende te [verblijfplaats appellant 2] ,
appellanten,
advocaat mr. P.A. de Lange te Barendrecht,
in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam besloten vennootschap]

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2015 is het faillissement van [naam besloten vennootschap] uitgesproken, met benoeming van mr. J.C.A. Herstel tot curator en mr. A.M.P.T. Blokhuis tot rechter-commissaris.
1.2.
Bij verzoekschrift van 24 januari 2019 hebben de appellanten de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Fw Pro verzocht om, kort samengevat, de curator te bevelen over te gaan tot beëindiging van het faillissement van [naam besloten vennootschap] .
1.3.
Bij beschikking van 18 februari 2019 heeft de rechter-commissaris beslist dat appellanten niet kunnen worden ontvangen in het door hen gedane verzoek ex artikel 69 Fw Pro, omdat [appellant 1] geen schuldeiser is en [appellant 2] is veroordeeld tot een betaling aan de boedel die de vordering van [appellant 2] overstijgt.
1.4.
Appellanten hebben op 22 februari 2019 hoger beroep als bedoeld in artikel 67 lid 1 Fw Pro ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 18 februari 2019.
1.5.
Bij brief van 28 maart 2019 heeft de rechter-commissaris gereageerd op het beroepschrift.
1.6.
[aandeelhouder] , aandeelhouder van [naam besloten vennootschap] , heeft op 9 april 2019 een brief gericht aan de curator in het geding gebracht.
1.7.
Het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 april 2019, waar [naam dochter appellant 1] , dochter van [appellant 1] en zus van [appellant 2] , bijgestaan door advocaat mr. P.A. de Lange, de rechter-commissaris, de curator en [aandeelhouder] , bijgestaan door advocaat mr. R. le Grand, zijn verschenen.

2.Het hoger beroep en het verweer

2.1.
Appellanten verzoeken de rechtbank, kort samengevat, de beschikking van de rechter-commissaris van 18 februari 2019 te vernietigen en het oorspronkelijk verzoek van 24 januari 2019, de curator te bevelen over te gaan tot beëindiging van het faillissement van [naam besloten vennootschap] , toe te wijzen.
2.2.
De curator voert verweer. Op het verweer van de curator zal – voor zover relevant voor de beoordeling – hierna nader worden ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Allereerst moet worden beslist of appellanten kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep.
3.1.1.
Het beroepschrift is binnen de in artikel 67 Fw Pro genoemde termijn bij de rechtbank binnengekomen, zodat appellanten hun hoger beroep tijdig hebben ingesteld.
3.1.2.
[appellant 2] is, reeds voor het indienen van het verzoek op 24 januari 2019, (privé) in staat van faillissement verklaard. Het faillissement van [appellant 2] omvat zijn gehele vermogen ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. Het doel van het hoger beroep, een einde aan het faillissement van [naam besloten vennootschap] , heeft, gelet op zijn vordering op [naam besloten vennootschap] alsmede zijn schuld aan [naam besloten vennootschap] , vermogensrechtelijke gevolgen voor [appellant 1] . Het hoger beroep ex artikel 67 Fw Pro had naar het oordeel van de rechtbank door de curator van [appellant 2] moeten worden ingesteld (artikel 25 Fw Pro). Nu mr. De Lange ter zitting heeft verklaard geen contact met de curator van [appellant 2] te hebben gehad over onderhavig beroepschrift en niet gemachtigd te zijn door de curator om voor hem op te treden is aan die voorwaarde niet voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [appellant 2] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
3.1.3.
De rechtbank zal [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep. [appellant 1] kan wel in zijn hoger beroep worden ontvangen.
3.2.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of [appellant 1] ontvankelijk is in zijn verzoek ex artikel 69 Fw Pro.
3.2.1.
[appellant 1] is statutair bestuurder van de gefailleerde rechtspersoon [naam besloten vennootschap] . De bevoegdheid om uit hoofde van artikel 69 Fw Pro te ageren komt ook toe aan een gefailleerde rechtspersoon, die daarbij vertegenwoordigd kan worden door haar bestuurder. [appellant 1] is daarom bevoegd een verzoek ex artikel 69 Fw Pro in te dienen. [appellant 1] is als bestuurder, na afwikkeling van het faillissement en ontbinding van de rechtspersoon [naam besloten vennootschap] , de vereffenaar van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon en kan de resterende baten vanaf dat moment zelf, in plaats van de curator en de daarmee gemoeide boedelkosten, innen en verdelen onder de aandeelhouders. Hierin is het belang van [appellant 1] gelegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat [appellant 1] ontvankelijk is in zijn verzoek ex artikel 69 Fw Pro.
3.2.2.
De beschikking van de rechter-commissaris van 18 februari 2019 zal voor zover het de niet-ontvankelijkheid van [appellant 1] betreft, worden vernietigd, en de rechtbank zal, opnieuw rechtdoende, [appellant 1] ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
3.3.
De rechtbank komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van [appellant 1] .
3.3.1.
[appellant 1] stelt dat het vergroten van het actief in de boedel geen enkel belang dient, nu het actief voldoende is om alle crediteuren en boedelkosten te betalen. De curator gaat nodeloos door met de debiteurenincasso terwijl de afwikkeling van het faillissement ten onrechte uitblijft. De curator kan ermee volstaan om de huidige baten te vereffenen, aldus [appellant 1] .
3.3.2.
De curator voert aan dat er nog diverse activabestanddelen te gelde kunnen worden gemaakt, waaronder de vorderingen op [appellant 1] , [naam dochter appellant 1] en [appellant 2] . De opbrengst van het actief kan, nadat alle schuldeisers zijn voldaan (inclusief de verschuldigde rente), mogelijk aan de aandeelhouders, [appellant 1] , [appellant 2] en [aandeelhouder] , worden uitgekeerd. Daarom kan op dit moment nog niet tot een afwikkeling van het faillissement worden overgegaan en is een afwikkeling ook niet in het belang van de boedel, aldus de curator.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het stelsel van de Fw vloeit als uitgangspunt voort dat de curator bij het dienen van het belang van de boedel een zo hoog mogelijke boedelopbrengst nastreeft teneinde ieders vordering tot een zo hoog mogelijk bedrag te voldoen. Ook wanneer de geverifieerde schulden tot een maximum van 100% kunnen worden betaald, geldt dat eventueel resterende baten ter beschikking van de failliet staan. In beginsel zal de failliet daaruit dan de niet geverifieerde schulden dienen te voldoen. Te denken valt aan rente die is verschenen na faillissementsdatum en aan andere niet verifieerbare schulden die ook geen boedelschuld zijn. In geval van faillissement van een rechtspersoon, zoals het faillissement van [naam besloten vennootschap] , zijn de bepalingen van artikelen 2:23a tot en met 2:23c Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing (artikel 2:23a lid 5 BW). Hieruit volgt dat bij de ontbinding van een rechtspersoon door insolventie de curator ook rekening moet houden met de verdeling van een mogelijk saldo onder aandeelhouders en andere rechthebbenden. Indien de concurrente vorderingen volledig kunnen worden voldaan en de rechtspersoon inmiddels is ontbonden, dient feitelijk ook uitdeling aan de aandeelhouders en andere rechthebbenden plaats te vinden, wanneer daarvoor nog middelen aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dient de curator in het faillissement van [naam besloten vennootschap] alle activa te gelde te maken, gelet op de belangen van de concurrente schuldeisers (rentevorderingen), eventuele andere (niet verifieerbare) schuldeisers en de aandeelhouders na afwikkeling van het faillissement. Dit klemt te meer nu aandeelhouder [aandeelhouder] zijn schuld aan [naam besloten vennootschap] heeft voldaan, maar de schulden van aandeelhouders [appellant 1] en [appellant 2] (nog) niet zijn voldaan. Daarnaast heeft ook [naam dochter appellant 1] , familielid van de heren [appellanten] , een schuld aan [naam besloten vennootschap] . Afwikkeling van het faillissement van [naam besloten vennootschap] en daarmee het staken van het incasseren van voornoemde vorderingen op de familie [appellanten] leidt tot een selectieve inning van de debiteuren, hetgeen niet in belang van de schuldeisers en (alle) aandeelhouders is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het verzoek van [appellant 1] om de curator aan te sturen over te gaan tot beëindiging van het faillissement van [naam besloten vennootschap] toe te wijzen.
3.5.
De rechtbank zal, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [appellant 1] , om de curator te bevelen over te gaan tot beëindiging van het faillissement van [naam besloten vennootschap] , afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart [appellant 2] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
4.2.
vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 18 februari 2019, voor zover het de niet-ontvankelijkheid van [appellant 1] betreft, en doet in zoverre opnieuw recht:
4.3.
wijst het verzoek van [appellant 1] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Verspui en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2019.