Eiser betwistte de verrekeningen van de voorlopige teruggaaf 2017 door de ontvanger van de Belastingdienst en werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt dat tegen verrekeningsbesluiten geen bezwaar en beroep openstaat bij de bestuursrechter, omdat deze besluiten op grond van de Invorderingswet 1990 worden genomen en alleen de civiele rechter bevoegd is om hierover te oordelen.
Daarnaast is de rechtbank niet bevoegd om te oordelen over het verzoek tot een dwangsom in verband met de niet tijdige afhandeling van het bezwaar, noch over het verzoek om uitstel van betaling en de daarbij verzochte boete. Dit volgt uit de toepasselijke wettelijke bepalingen en jurisprudentie, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013.
Hoewel verweerder een proceskostenveroordeling tegen eiser heeft verzocht wegens veelvuldig en onnodig procederen, wijst de rechtbank dit af vanwege onvoldoende concrete onderbouwing. Wel waarschuwt de rechtbank eiser dat herhaaldelijk beroep instellen tegen verrekeningsbesluiten zonder rechtsgang onnodige belasting voor de Belastingdienst en rechtbank veroorzaakt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich voor het overige onbevoegd. De uitspraak is gedaan door rechter F.M. Smit op 15 mei 2019 in Arnhem.