ECLI:NL:RBGEL:2019:2210

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2019
Publicatiedatum
20 mei 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2181
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.J. Jue
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 2, eerste lid, aanhef en onder c, WaboArt. 8:72, vierde lid, AwbArt. 8:86, eerste lid, AwbArtikel 23.3 planvoorschriften gemeente Putten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen handhaving wegens uitbreiding gezinsleven in recreatiewoning onder persoonsgebonden overgangsrecht

Verzoekster woont in een recreatiewoning die volgens het bestemmingsplan niet als burgerwoning mag worden gebruikt, maar zij valt onder het persoonsgebonden overgangsrecht dat haar het recht geeft om te blijven wonen. Haar nieuwe partner is bij haar komen wonen, maar de gemeente stelt dat dit in strijd is met het bestemmingsplan omdat het overgangsrecht niet op hem van toepassing is. Verzoekster betwist dit en beroept zich op haar recht op privé- en gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.

De voorzieningenrechter legt het overgangsrecht uit als een recht dat het gezin of huishouden van de hoofdbewoner mag uitbreiden, maar dat extra bewoners zelf geen recht op voortzetting van het gebruik hebben. Dit betekent dat zolang verzoekster in de recreatiewoning woont, haar partner daar ook mag verblijven. Bij verhuizing of overlijden van verzoekster vervalt dit recht voor de partner.

De rechtbank concludeert dat er geen gebruik in strijd met het bestemmingsplan is zolang verzoekster er woont en dat de gemeente niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het beroep is gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, de last onder dwangsom herroepen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster krijgt vergoeding van haar betaalde griffierecht.

Uitkomst: De last onder dwangsom wordt herroepen en het beroep gegrond verklaard omdat het samenwonen binnen het persoonsgebonden overgangsrecht valt zolang verzoekster in de recreatiewoning woont.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 19/2182 (hoofdzaak) en 19/2181 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: R. van Veen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Puttente Putten, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2018 heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 13 maart 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep ingesteld. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Vooren en P. Hennekeij.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter zal niet alleen uitspraak doen in het verzoek om voorlopige voorziening. Hij zal ook uitspraak doen in het beroep. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2. Verzoekster woont in een recreatiewoning, [adres] in [woonplaats] . Weliswaar is dat in strijd met de bestemming van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, maar zij mag er toch blijven wonen omdat op haar het overgangsrecht van dat bestemmingsplan van toepassing is. Op enig moment is haar partner bij haar komen wonen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de partner van verzoekster niet bij verzoekster in haar recreatiewoning mag wonen. Dat is in strijd met het bestemmingsplan. Het overgangsrecht is namelijk niet op hem van toepassing maar alleen op verzoekster, aldus verweerder. Verweerder heeft daarom aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd omdat verzoekster haar partner bij zich laat wonen terwijl dat niet mag. Dat dat niet mag, volgt uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Haar wordt opgedragen het laten wonen van haar partner in haar recreatiewoning te beëindigen. Doet zij dat niet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 10.000,- per maand, met een maximum van € 60.000,-. Als verzoekster met haar partner wil samenwonen, dan moet zij de recreatiewoning verlaten en in een burgerwoning gaan wonen, aldus verweerder.
4. Verzoekster bestrijdt dat zij in overtreding is. De ruimtelijke gevolgen van het samenwonen zijn beperkt. Zij doet een beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij vindt dat verweerder haar recht op haar privé- en gezinsleven heeft te respecteren.
5. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5.1.
Artikel 23.3 van de planvoorschriften bepaalt dat als een recreatiewoning vóór 1 juni 2001 in gebruik is genomen als burgerwoning, dit gebruik mag worden voortgezet door de bestaande gebruiker(s). Zodra het gebruik als burgerwoning door de bestaande gebruiker(s) wordt beëindigd, hetzij door verhuizing, hetzij door overlijden, vervalt het recht op gebruik van deze gebouwen als burgerwoning. Als bestaande gebruiker(s) wordt (worden) aangemerkt de persoon/personen die voor 1 juni 2001 volgens de gemeentelijke basisadministratie van Gemeente Putten als hoofdbewoner en diens partner/gezin staat ingeschreven op het betreffende adres.
5.2.
Het toevoegen van een persoon aan het gezin/huishouden van verzoekster verandert de aard van de bewoning niet; dat is en blijft gebruik als burgerwoning. De voorzieningenrechter legt artikel 23.3 zo uit dat het wel toelaat dat het gezin/huishouden van verzoekster als hoofdbewoner wordt uitgebreid, maar dat die extra bewoners niet de bescherming van artikel 23.3 genieten. Als verzoekster verhuist of overlijdt, kunnen de later toegevoegde bewoners zich niet op artikel 23.3 beroepen. Zij zullen in dat geval het gebruik van de recreatiewoning als burgerwoning moeten beëindigen. In het licht van artikel 8 EVRM Pro acht de voorzieningenrechter dit ook een redelijke uitleg. Het belang van verzoekster op een gezinsleven in de recreatiewoning is groot. Daar wegen de ruimtelijke belangen die spelen niet tegen op. Deze ruimtelijke belangen zijn gering. Weliswaar wordt het gebruik als burgerwoning met de komst van haar partner geïntensiveerd. Daar staat tegenover dat als haar partner weer op zichzelf gaat wonen en zich dagelijks begeeft naar de recreatiewoning, er in ruimtelijk opzicht praktisch geen winst is behaald. Deze redelijke uitleg van artikel 23.3 van de planvoorschriften betekent dus dat haar partner wel bij verzoekster mag intrekken, maar dat hij het gebruik van de recreatiewoning als burgerwoning niet mag voortzetten als verzoekster verhuist of overlijdt.
5.3.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zolang verzoekster daar ook woont. Verzoekster is niet in overtreding. Verweerder is niet bevoegd om een last op te leggen.
6. Het beroep is gegrond, het besluit op bezwaar zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toepassen door de last onder dwangsom te herroepen.
7. Er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. De voorzieningenrechter zal ook bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.
9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar;
- herroept het besluit van 13 juli 2018;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van (2 x € 174,- =) € 348,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Murray, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: .
Griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.