ECLI:NL:RBGEL:2019:2604

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juni 2019
Publicatiedatum
12 juni 2019
Zaaknummer
AWB 19/731
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht en immateriële schadevergoeding

Verweerder stelde de waarde van een pand vast voor het kalenderjaar 2018, waartegen eiseres bezwaar maakte. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiseres beroep in bij de rechtbank. Het griffierecht van €338 werd niet tijdig betaald ondanks een herinnering.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 8:41 Awb Pro, omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan en geen sprake was van een situatie waarin redelijkerwijs niet geoordeeld kon worden dat eiseres in verzuim was.

Eiseres verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad dat een dergelijke vergoeding alleen kan worden toegekend indien het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd, wat niet het geval is bij niet-ontvankelijkheid wegens niet-betaling griffierecht.

Omdat de termijn van anderhalf jaar sinds het instellen van het beroep niet was overschreden, werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 19/731

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 juni 2019

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking (aanslagbiljet: [000] ) krachtens de Wet waardering onroerende zaken de waarde van het pand aan de [A-straat 1] te [Q] voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 1 september 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij brief van 1 oktober 2018, ingekomen bij de rechtbank op 4 oktober 2018, heeft eiseres beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar.
Bij aangetekende brief van 2 maart 2019 is eiseres op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen.

Overwegingen

1. Eiseres is voor het door haar ingestelde beroep € 338 aan griffierecht verschuldigd. Het griffierecht dient ingevolge artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen vier weken na de verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Een beroep wordt ingevolge artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. In de brief van de rechtbank van 2 maart 2019 is meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. Verder is vermeld dat, indien van deze gelegenheid niet binnen de termijn gebruik is gemaakt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Uit informatie van PostNL via www.tracktrace.nl blijkt dat de brief is afgehaald op dinsdag 5 maart 2019. Uit de administratie van de rechtbank is gebleken dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan.
3. Wanneer het griffierecht niet is betaald, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit volgt uit artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gesteld, noch gebleken is dat sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. Dat betekent dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
4. Het is niet uitgesloten dat bij een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade, zie onder meer een arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:241). Op grond van artikel 6 van Pro het EVRM moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn te worden berecht. Er geldt dan echter wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil (inhoudelijk) aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als het griffierecht niet wordt betaald. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:352). Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht. Dat is slechts anders in het geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. Gelet op de datum waarop eiseres beroep heeft ingesteld, is die termijn niet overschreden.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van
R.C.M. Coolen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 juni 2019
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum verzet doen bij de Rechtbank Gelderland, Team belastingrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. De indiener van het verzet kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Bij het doen van het verzet dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het verzetschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het verzetschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan;
d. de gronden van het verzet.