Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2019:2690

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2019
Publicatiedatum
17 juni 2019
Zaaknummer
C/05/350122 FT RK 19/275
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 287a FwArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedwongen schuldregeling wegens voldoende spaarcapaciteit

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van een gedwongen schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet, waarbij twee schuldeisers niet akkoord gingen met het voorstel. Het voorstel hield in dat verzoekster drie jaar lang haar inkomsten boven een vastgesteld vrij te laten bedrag zou reserveren voor schuldeisers, met een betaling van 11,31% aan preferente en 5,65% aan concurrente schuldeisers.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster een maandelijks inkomen van circa €1.400 heeft en een vrij te laten bedrag van €768,63, waardoor zij een spaarcapaciteit van ongeveer €630 per maand heeft. Hiermee kan zij binnen de wettelijke termijn van drie jaar haar totale schuldenlast van €16.172,11 volledig aflossen.

De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 284 lid 1 Fw Pro, omdat verzoekster niet is opgehouden met betalen en het niet te voorzien is dat zij haar schulden niet kan blijven betalen. Daarom is het opleggen van een gedwongen schuldregeling niet aan de orde en wordt het verzoek afgewezen. Een afzonderlijk vonnis over toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal volgen.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens voldoende spaarcapaciteit van verzoekster.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team Insolventies
Zittingsplaats Zutphen
rekestnummer: C/05/350122 FT RK 19/275 ls
uitspraakdatum: 20 mei 2019
Verzoek gedwongen schuldregeling ex artikel 287a van de Faillissementswet
in de zaak van
[naam verzoekster],
geboren op 12 december 1985 te Rheden,
wonende [adres verzoekster] ,
verzoekster,
tegen
[verweerder sub 1],
wonende te Doesburg,
en
Sanders Advocatenkantoor,
gevestigd en kantoorhoudende te Doetinchem,
verweerders.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeiser, te weten verweerders, te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (hierna: Fw.).
1.2.
Verzoekster, vergezeld van mevrouw [naam 1 beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder, is door de rechtbank gehoord ter terechtzitting van 15 mei 2019. Namens de schuldhulp-verlenende instantie PLANgroep Doesburg is verschenen de heer [naam 2] . Verder is de heer [verweerder sub 1] verschenen.

2.De feiten

2.1.
Het verzoek betreft het opleggen van een schuldregeling aan de schuldeisers, inhoudende een betaling van 11,31 % van de totale vordering aan de preferente schuldeisers tegen finale kwijting en een betaling van 5,65 % van de totale vordering aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
2.2.
Het aanbod betreft een prognose en houdt in dat PLANgroep Doesburg namens verzoekster drie jaar lang alle inkomsten boven het (conform de uniforme rekenmethode van Recofa) vastgestelde vrij te laten bedrag reserveert voor de schuldeisers. Jaarlijks zal een inkomenstoets plaatsvinden, waarbij het budget wordt herberekend. Alle inkomsten van verzoekster boven het budget worden maandelijks gereserveerd en na de jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers uitbetaald. Voor de door PLANgroep Doesburg verrichte werkzaamheden worden geen kosten in rekening gebracht.
2.3.
Verzoekster heeft volgens het verzoekschrift een totale schuldenlast van
€ 16.172,11. Twee van de in totaal eenentwintig schuldeisers zijn niet met het voorstel akkoord gegaan, te weten verweerders, met vorderingen van respectievelijk € 743,75 en
€ 439,00. Verweerders vertegenwoordigen daarmee circa 7,31 % van de totale schuldenlast.

3.Het verzoek en de standpunten van partijen

3.1.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de schuldeisers bij toewijzing van het verzoek een aanzienlijk hoger percentage zullen krijgen dan in de schuldsaneringsregeling vermoedelijk kan worden aangeboden, omdat in de wettelijke schuldsaneringsregeling de kosten van de bewindvoerder in mindering worden gebracht op het aan de schuldeisers uit te keren bedrag.
3.2.
De heer [verweerder sub 1] heeft als verweer aangevoerd dat het aanbod te laag is. Hij werkt hard en heeft het geld hard nodig.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 284, eerste lid, van de Fw. kan een natuurlijke persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Ingevolge artikel 288, eerste lid, sub a, van de Fw. wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling dient (ook) overeenkomstig dit criterium te worden beoordeeld. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
4.2.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor verzoekster voor de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 een maandelijks vrij te laten bedrag is berekend van € 768,63. Daartegenover staat een (huidig) inkomen van circa € 1.400,00 per maand. Het vorenstaande leidt tot een maandelijkse spaarcapaciteit van circa € 630,00 per maand. Met deze maandelijks spaarcapaciteit kan verzoekster binnen zesendertig maanden, de reguliere termijn van een schuldregeling, aanzienlijk meer dan het totale bedrag van de schuldenlast bij elkaar sparen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook niet voldaan aan het criterium van artikel 284, eerste lid van de Fw. omdat het er naar uitziet dat verzoekster binnen een termijn gelijk aan een reguliere looptijd van een schuldregeling, voor volledige betaling van de schuldeisers kan zorgdragen.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de situatie van verzoekster het opleggen van een gedwongen schuldregeling niet aan de orde. Verzoekster dient in dit geval zelf afbetalingsregelingen met alle schuldeisers te treffen. De rechtbank zal het verzoek tot het opleggen van een schuldregeling daarom afwijzen.
4.4.
Op het verzoek van verzoekster om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 20 mei 2019.
Hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan door verzoekster hoger beroep worden ingesteld. Hoger beroep kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Die moet dat doen binnen acht dagen na dit vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.