Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.
[derde partij]te [woonplaats] .
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom die door het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland is opgelegd aan een publiekrechtelijke rechtspersoon. Het primaire besluit verplicht de verzoeker verkeersremmende maatregelen te nemen, met een dwangsom van maximaal €20.000 bij niet-naleving.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed zoals vereist op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het geschil betreft een financieel conflict waarbij het bedrag achteraf kan worden terugbetaald, waardoor geen onomkeerbare situatie of acute financiële nood bestaat.
De verzoeker erkent dat betaling van de dwangsom geen acute financiële problemen veroorzaakt. Ook de door verzoeker aangevoerde imagoschade is onvoldoende voor het aannemen van spoedeisend belang. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om bezwaar en voorlopige voorziening in te stellen wordt niet inhoudelijk beoordeeld en blijft open voor de bezwaarprocedure. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W.P.C.G. Derksen en griffier M.H.Y. Snoeren-Bos op 30 augustus 2019.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.