ECLI:NL:RBGEL:2019:4379

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 oktober 2019
Publicatiedatum
1 oktober 2019
Zaaknummer
05/882609-17
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 363 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ambtenaar van politie wegens ontbreken bewijs passieve ambtelijke omkoping

De rechtbank Gelderland behandelde de zaak van een ambtenaar van politie die ervan werd verdacht passieve ambtelijke omkoping te hebben gepleegd door een vergoeding te vragen aan een bouwbedrijf in verband met een project voor huisvesting van studenten van de Politie Academie.

De officier van justitie stelde dat wettig en overtuigend bewijs aanwezig was dat verdachte een gift of belofte had gevraagd om hem te bewegen iets te doen of na te laten in zijn ambtelijke functie. De verdediging voerde aan dat dit bewijs ontbrak en dat verdachte niet strafbaar was.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wel de schijn van belangenverstrengeling had gewekt door een vergoeding te vragen terwijl hij ambtenaar was, maar dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat deze vergoeding was gevraagd met het oog op het verrichten of nalaten van ambtshandelingen. Verdachte had het initiatief genomen voor het project en was transparant geweest richting zijn leidinggevenden. Bovendien was hij zich bewust van mogelijke belangenverstrengeling en had hij stappen ondernomen om zijn dienstverband te beëindigen.

Gezien de bijzondere omstandigheden en cumulatie van feiten was de rechtbank niet overtuigd van het opzet om ambtshandelingen te beïnvloeden. Daarom sprak zij verdachte vrij van het tenlastegelegde.

De uitspraak werd gedaan door mr. C.J.M. van Apeldoorn, mr. Y. Yeniay-Cenik en A. van der Hilst op 1 oktober 2019 te Zutphen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor passieve ambtelijke omkoping.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05/882609-17
Datum uitspraak : 1 oktober 2019
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
raadsvrouw: mr. M. van der Steeg, advocaat te Schalkhaar.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
17 september 2019.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2017 tot en met
10 maart 2017 te Varsseveld en/of Hengelo en/of Apeldoorn, althans in Nederland, in zijn hoedanigheid als ambtenaar (docent op de Politie Academie) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n), te weten
- een betaling en/of een vergoeding van 100.000 euro (email d.d. 23 februari 2017, 10.20 uur
van verdachte aan [naam 1] )
- een betaling en/of een vergoeding (email d.d. 23 februari 2017, 10.20 uur van verdachte aan
[naam 1] en/of email d.d. 25 februari 2017, 09.08 uur van verdachte aan [naam 1]
en/of tijdens een gesprek d.d. 9 maart 2017 en/of 10 maart 2017),
althans telkens enig geldbedrag en/of vergoeding heeft gevraagd aan [naam 1] , althans (een) medewerker(s) van bouwbedrijf [naam 2] teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, te weten
- bouwbedrijf [naam 2] te adviseren in het project huisvesting voor
studenten van de Politie Academie en/of
- te bemiddelen tussen de politie organisatie en/of bouwbedrijf [naam 2]
om te komen tot afspraken over het project huisvesting voor studenten van de Politie
Academie en/of
- bouwbedrijf [naam 2] te informeren over de voortgang van het project
huisvesting voor studenten van de Politie Academie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. In het door haar ter zitting overgelegde en voorgedragen schriftelijk requisitoir heeft zij de door haar gebezigde bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde aangezien op meerdere bestanddelen van de delictsomschrijving geen, dan wel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring. De verdediging heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een – aan het proces-verbaal te hechten – pleitnotitie.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat in het dossier feiten en omstandigheden zijn opgenomen welke
een ernstige verdenking rechtvaardigen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Door aan Bouwbedrijf [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2] ) een vergoeding te vragen die zou moeten worden betaald in het geval dat, kort gezegd, het politiehotel zou worden gerealiseerd terwijl verdachte op dat moment een aanstelling als ambtenaar bij de Politie Academie had, heeft verdachte op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling gewekt. Weliswaar stelt verdachte dat een belangrijk deel van deze vergoeding betrekking had op zijn eerdere werkzaamheden met betrekking tot het ziekenhuisproject, maar door deze afspraak te (willen) maken, creëerde verdachte voor hem een persoonlijk belang bij de realisatie van het politiehotel. De rechtbank meent dat verdachte zich dit had moeten realiseren en dat dit hem ervan had moeten weerhouden te handelen zoals hij heeft gedaan.
Om echter tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde passieve omkoping als bedoeld in artikel 363 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat verdachte als ambtenaar giften, beloften of diensten heeft gevraagd teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. De ambtenaar is slechts strafbaar als hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gift (de vergoeding) de strekking had om hem te bewegen tot een ambtshandeling.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte in deze kwestie anders had moeten handelen, bijvoorbeeld door daadwerkelijk zijn dienstverband als ambtenaar te beëindigen alvorens door te gaan met zijn werkzaamheden ten aanzien van het politiehotel, komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Gelet op de hierna te bespreken bijzondere omstandigheden van het geval, heeft de rechtbank niet de overtuiging dat is voldaan aan de eis dat de gift of belofte is gevraagd
teneinde hem te bewegenom in zijn bediening iets te doen of na te laten.
De rechtbank neemt als bijzondere omstandigheden in aanmerking dat het initiatief voor het realiseren van het politiehotel steeds bij verdachte lag. Verdachte heeft de eerste plannen ontwikkeld en zijn idee onder de aandacht gebracht, voordat [naam 2] hier op enigerlei wijze bij betrokken was. Verdachte heeft vervolgens contact gezocht met [naam 2] omdat hij zelf niet de benodigde expertise in huis had. In de in 2009 overeengekomen intentieovereenkomst tussen verdachte en [naam 2] , is onder meer opgenomen dat [naam 2] verdachte zal adviseren en dat [naam 2] hiervoor een vergoeding zal krijgen. Op dat moment was het kennelijk de bedoeling dat verdachte het politiehotel zou (laten) realiseren en dat hij [naam 2] daarvoor zou inschakelen, zonder dat verdachte daar een vergoeding van [naam 2] voor zou krijgen.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte behoorlijk transparant is geweest over zijn plannen en ideeën en dat hij zijn leidinggevenden hierover heeft geïnformeerd. Verdachte heeft niet alleen zijn teamchef de heer [naam 3] geïnformeerd, maar hierover ook meermaals contact gehad met de heer [naam 4] , toenmalig directeur van de rechercheschool en de heer [naam 5] , toenmalig directeur van de Politie Academie. Binnen de politie was dan ook bekend dat verdachte met dit project bezig was en dat hij daar persoonlijk belang bij had. In zijn brief van 28 maart 2008 schrijft de heer [naam 5] aan verdachte over ‘uw ondernemersinitiatief voor het opzetten van een particuliere onderneming voor hotel- en andere faciliteiten in Apeldoorn.’ Desgevraagd heeft verdachte aangegeven dat hij binnen de politie niet gehele openheid heeft gegeven over de omvang van zijn persoonlijke belangen bij de realisatie van het politiehotel, maar anderzijds is ook niet gebleken dat daarnaar is geïnformeerd door de leidinggevenden van verdachte.
Voorts neemt de rechtbank in aanmerking de gang van zaken rondom de brief die verdachte op 28 maart 2008 van de heer [naam 5] ontving met betrekking tot de rechtspositie van verdachte in het kader van integriteit en de mogelijke belangenverstrengeling. Verdachte heeft deze brief in eerste instantie zo geïnterpreteerd dat hij meende dat hij moest stoppen met de plannen voor het politiehotel, of, indien hij deze werkzaamheden wenste voort te zetten, ontslag zou moeten nemen. Verdachte heeft hier ook daadwerkelijk naar gehandeld. Hij heeft namelijk per e-mail van 6 april 2008 aan de heer [naam 4] voorgesteld om zijn dienstverband op te zeggen en hem voortaan als ZZP-er in te huren. Naar aanleiding van de gesprekken hierover met de heer [naam 4] , meende verdachte dat hij de voorbereidingswerkzaamheden voor het politiehotel nog zou kunnen combineren met zijn functie als ambtenaar en dat hij pas ontslag zou hoeven te nemen zodra de plannen de fase van realisering zouden bereiken. Verdachte was zich derhalve bewust van het risico van belangenverstrengeling en was bereid zijn ambtenarenstatus op te geven.
Niet de omstandigheden ieder op zich, maar juist de cumulatie hiervan maken dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte giften of beloften heeft gevraagd
teneinde hem te bewegenom in zijn bediening iets te doen of na te laten. Verdachte moet dan ook van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

2.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart
niet bewezendat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en
spreekt verdachte hiervan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn, voorzitter, mr. Y. Yeniay-Cenik en
A. van der Hilst, rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2019.