De vrouw verzoekt de rechtbank om vaststelling van kinderalimentatie voor hun minderjarige dochter, waarbij de man stelt minimale draagkracht te hebben vanwege een Wajong-uitkering. De rechtbank beoordeelt de draagkracht van beide partijen aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen in 2018, het jaar waarin zij hun relatie beëindigden.
De man erkent gedragingen die hebben geleid tot zijn ontslag bij KPN, waardoor de rechtbank oordeelt dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is en bovendien verwijtbaar. Daarom wordt bij de berekening van zijn draagkracht uitgegaan van een fictief inkomen gelijk aan zijn inkomen in 2018. De draagkracht van de man wordt vervolgens berekend volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen.
De rechtbank past ambtshalve de 90%-toets toe om te waarborgen dat de man na betaling van kinderalimentatie voldoende middelen houdt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit leidt tot een bijdrage van €202 per maand tot 1 mei 2019 en €138 per maand vanaf die datum. De rechtbank verklaart het verzoek van de vrouw ontvankelijk en wijst het overige verzoek af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.