In een civiele vorderingsprocedure wilde verzoekster tijdens de mondelinge behandeling videobeelden tonen die betrekking hadden op gebeurtenissen in de nacht van 13 op 14 juli 2018. De rechter weigerde dit omdat volgens het KEI-procesreglement alle bewijsstukken uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling ingediend moeten zijn.
Verzoekster diende daarop een wrakingsverzoek in tegen de rechter, stellende dat het weigeren van het tonen van de videobeelden blijk gaf van vooringenomenheid en partijdigheid. Zij voerde aan dat in KEI-zaken de mondelinge behandeling de enige gelegenheid is om stellingen mondeling toe te lichten, en dat de rechter haar deze mogelijkheid ontnam.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De weigering om de beelden te tonen was een inhoudelijke, gemotiveerde beslissing binnen de kaders van het procesreglement. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek tot wraking af. De beslissing is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.