ECLI:NL:RBGEL:2019:5481
Rechtbank Gelderland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Geen individuele en buitensporige last door box 3 heffing bij hoog inkomen en vermogen
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, specifiek tegen de vermogensrendementsheffing in box 3. Hij stelt dat deze heffing een individuele en buitensporige last vormt in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat het forfaitaire rendement niet overeenkomt met zijn werkelijke rendement en hij vanwege zijn leeftijd een voorzichtige beleggingsstrategie volgt.
De rechtbank stelt vast dat de aanslag conform de wettelijke regeling is vastgesteld en dat de vraag of de box 3 heffing op regelniveau in strijd is met het EVRM niet aan de orde is in deze individuele zaak. Het toetsingskader van de Hoge Raad wordt toegepast om te beoordelen of sprake is van een individuele en buitensporige last.
Gezien het aanzienlijke inkomen en vermogen van eiser, oordeelt de rechtbank dat de heffing van € 6.472 niet van zodanige omvang is dat deze een buitensporige last vormt. De omstandigheid dat het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement en de leeftijdsgebonden beleggingsstrategie van eiser leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank wijst het beroep af en benadrukt dat de rechtsvraag over de algemene rechtmatigheid van de box 3 heffing in een massaal bezwaarprocedure zal worden behandeld. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de box 3 heffing geen individuele en buitensporige last vormt voor eiser.