Eiser was sinds 2000 in dienst en werd in 2018 ontslagen wegens het niet nakomen van re-integratieverplichtingen. Verweerder beëindigde het re-integratietraject en weigerde een aanvullende uitkering op grond van de CAR/UWO. Eiser stelde dat het niet nakomen van verplichtingen een medische oorzaak had en dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan.
Eiser overlegde medische rapporten van een bedrijfsarts en een verzekeringsarts die stelden dat het niet nakomen niet verwijtbaar was vanwege medische klachten zoals burn-out en spanningsklachten. Verweerder betwistte de betrouwbaarheid van deze rapporten en stelde dat er geen aanwijzingen waren voor een medische oorzaak ten tijde van het besluit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat het niet nakomen verwijtbaar was en dat de medische rapporten niet onzorgvuldig waren. De rechtbank vernietigde het besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en beval verweerder een nieuw onderzoek te doen naar de medische oorzaak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.