Eiser, eigenaar van een groot deel van een historische buitenplaats die als rijksmonument is aangewezen, betwist de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst verleende omgevingsvergunning voor een kleinschalig kampeerterrein met 15 plaatsen. De vergunning is verleend ondanks dat het kampeerterrein en de parkeervoorzieningen niet nauwkeurig zijn gesitueerd, waardoor niet kan worden beoordeeld in hoeverre de monumentale en cultuurhistorische waarden worden aangetast.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag en vergunning onvoldoende inzicht geven in de precieze locatie van de kampeerplaatsen en parkeerplaatsen. Hierdoor ontbreekt een adequate beoordeling van de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden van de buitenplaats en het rijksmonument. Ook is de motivering over de bescherming van deze waarden onvoldoende, ondanks dat verweerder een advies van de monumentencommissie heeft overgelegd.
Verder is vastgesteld dat de vergunning geen voorwaarden bevat over de situering van het kampeerterrein binnen het bouwvlak, en dat het parkeerbeleid niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank wijst erop dat enige aantasting van cultuurhistorische waarden mogelijk is, maar dat deze niet onevenredig mag zijn en adequaat moet worden gemotiveerd.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser en dient het griffierecht te worden vergoed.