Uitspraak
1.De inhoud van de tenlastelegging
15 maart 2015, te Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) een of meer voorwerpen, althans een groot geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, althans een groot geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij geheel of gedeeltelijk wist dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit/van enig misdrijf en/of (telkens) van een of meer voorwerpen/een groot geldbedrag de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en)/geldbedrag was/is of het voorhanden had/heeft, terwijl zij geheel of gedeeltelijk wist dat de/het voorwerp(en)/geldbedrag -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit/van enig misdrijf.
2.Geldigheid van de dagvaarding
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.De beslissing
mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat en mr. S. Blankenspoor, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 november 2019.