Partijen, ex-partners met gezamenlijke kinderen, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning waar de vrouw met de kinderen woont. De relatie eindigde in 2016 en de man vertrok uit de woning. In een eerder vonnis van juli 2018 werd de woning onder voorwaarden aan de vrouw toegewezen, maar de man stelde hoger beroep in.
De vrouw vorderde in kort geding dat zij het eigenaarsdeel van de man in de woning kon overnemen, terwijl de man vorderde dat de woning verkocht werd en de opbrengst werd verdeeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen te vroeg waren omdat het eerdere vonnis nog niet onherroepelijk was door het lopende hoger beroep.
De vrouw kon haar vordering niet afdwingen omdat het vastleggen van de levering in een notariële akte risico's voor de man zou opleveren bij een mogelijke wijziging in hoger beroep. De man kon de verkoop niet afdwingen omdat de termijn voor overname nog niet was gestart. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.