Uitspraak
[veroordeelde](hierna te noemen: veroordeelde),
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie vorderde dat de militaire kamer het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en veroordeelde verplicht tot betaling aan de Staat. Aanvankelijk werd een bedrag van €22.200,- gesteld, later aangepast naar €4.300,- op basis van een rekenmethode waarbij werd uitgegaan van negen kentekens en vijfentwintig onrechtmatige bevragingen.
Tijdens de zitting op 10 februari 2020 verscheen veroordeelde met zijn raadsman, die betoogde dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat veroordeelde giften heeft aangenomen. Subsidiair werd verzocht de vordering te matigen.
De militaire kamer nam kennis van het vonnis van 24 februari 2020 waarbij veroordeelde werd vrijgesproken van het feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd. Gezien het ontbreken van bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel werd de vordering afgewezen.
De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige militaire kamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem op 24 februari 2020.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs.