De rechtbank Gelderland behandelde op 26 februari 2020 de zaak tegen een vrouw die werd verdacht van meervoudige oplichting. Tijdens de zitting werd de ontnemingsvordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig gemaakt, waarbij de officier van justitie een bedrag van €18.500,- vorderde.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde meerdere slachtoffers had opgelicht, waarbij zij geldbedragen ontving die niet waren terugbetaald. De rechtbank achtte het bewezen dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had genoten, gebaseerd op de feiten en bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank maakte gebruik van haar bevoegdheid om het wederrechtelijk voordeel te schatten conform artikel 36e lid 5 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €17.338,36, bestaande uit bedragen die de veroordeelde van vier slachtoffers had ontvangen. Betalingen van twee andere slachtoffers werden niet meegenomen wegens onvoldoende aanwijzingen van verband met de strafbare feiten. De veroordeelde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €17.338,36 aan de Staat te betalen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 11 maart 2020.