Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
3.Het onderzoek ter terechtzitting
4.De beoordeling van de vordering
€ 2.600,--
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte vaststelt en hem verplicht tot betaling aan de staat. De zaak betrof cocaïnehandel in de periode van september tot november 2019.
Tijdens de terechtzitting op 2 maart 2020 werd de vordering verminderd tot €6.806,25. De verdediging voerde aan dat het voordeel lager was, namelijk €3.690, op basis van telecommunicatie- en bankonderzoek. De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs, waaronder verklaringen van afnemers en het proces-verbaal van bevindingen, aannemelijk maakte dat het voordeel hoger lag.
De rechtbank volgde de berekening in het proces-verbaal van bevindingen, waarbij het totale verkochte gewicht cocaïne werd vastgesteld op 504,5 gram. Met een winst van gemiddeld €12,50 per gram resulteerde dit in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €6.306,25. De rechtbank legde de betalingsverplichting aan verdachte op en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 66 dagen.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €6.306,25 en legt verdachte de betalingsverplichting aan de staat op.