De rechtbank Gelderland behandelde op 6 maart 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene.
Hoewel de officier van justitie het verzoek te laat had ingediend, oordeelde de rechtbank dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, mede gelet op de jurisprudentie onder de Wet Bopz en het ontbreken van een sanctie in de Wvggz.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene lijdt aan een schizofrene stoornis met terugkerende psychosen, uitgelokt door cannabisgebruik, en dat haar gedrag leidt tot ernstig nadeel zoals verwaarlozing en psychische schade. Betrokkene is sinds 2018 ambulant in behandeling en sinds september 2019 opgenomen in een instelling.
De rechtbank stelde vast dat verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid te stabiliseren. De zorgmachtiging omvat opname, bewegingsbeperking, toediening van medicatie en toezicht voor maximaal zes maanden. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en de zorg is evenredig en effectief.
De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 13 maart 2020, met de mogelijkheid tot cassatie.