Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[gedaagde 2],
[handelsnaam gedaagde 2],
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
worst case scenario” reconstructie TNO
Representativiteit reconstructie STE
Conclusie
Vraag 1:Acht u het, mede gelet op de getuigenverklaringen die zijn afgelegd bij het voorlopig getuigenverhoor op 3 juni en 15 juli 2003, op de rapporten van [naam] , V&J, TNO, STE, CED en [naam] en op de alternatieve scenario’s, zoals die door Hardstaal in de randnummers 49-56 van de conclusie van dupliek zijn geschetst, redelijkerwijs mogelijk of uitgesloten dat de brand van 16 september 2002 is veroorzaakt door de laswerkzaamheden van [gedaagde 2] , met name die van [naam] ?
samenstellingvan de turf is de rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt van de deskundige dat het in het pand aanwezige afval mede bestond uit turfmolm en/of turfresten die afkomstig waren uit de isolatielaag van een gesloopte tussenvloer, met verwijzing naar de verschillende getuigenverklaringen en de eerdere standpunten van partijen, afdoende is gemotiveerd. Dat de precieze samenstelling van de turfresten niet bekend is, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de reconstructie van STE en/of de conclusies van de deskundige onbetrouwbaar zijn. Dat, zoals Hardstaal stelt, het isolatiemateriaal waarvan het turfafval mogelijk niet uit los turf maar uit turf
composietbestond, met zich zou brengen dat het afval daarvan niet brandbaar is, dat het niet ontstoken kan worden door weggeschoten lasparels of dat het in gelijke omstandigheden niet of moeilijk zou kunnen vlamvatten als gevolg van lasparels, heeft zij in het geheel niet gemotiveerd. Daar wordt dan ook aan voorbij gegaan.
het vochtgehaltevan het turfafval heeft de deskundige onder meer op basis van de ouderdom van het gebouw, de verklaringen van de getuigen, de door hem opgevraagde weersgegevens en de gegevens over wanneer er voor het laatst sloopwerkzaamheden zijn verricht, geconcludeerd dat in het pakhuis, kort gezegd, droog turfmateriaal aanwezig was, waaruit al het vocht was verdwenen.
de reconstructie van TNOstelt de rechtbank vast dat TNO, zonder duidelijke onderbouwing, niet heeft gekozen voor het gebruik van turf of turfcomposiet als testmateriaal maar voor, op een betonvoer aangebracht, tissuepapier (in een eerste test één laag en in een tweede test drie lagen). Het standpunt van de deskundige dat de situatie daarmee afwijkt van de werkelijk situatie acht de rechtbank terecht. De stelling van Hardstaal dat als tissuepapier niet ontbrandt het ontbranden van turf ondenkbaar is, is naar het oordeel van de rechtbank met de enkele niet onderbouwde stelling dat tissuepapier makkelijker ontbrandt en dit daarom een ‘worst case scenario’ betreft, onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat, zoals de deskundige daarover overweegt, het gebruikte, van de werkelijkheid afwijkende testmateriaal leidt tot afwijkingen ten aanzien van de contactmomenten met de lasparels, de afkoeling daarvan door de betonvloer en de mate van warmtestuwing. Bovendien heeft de reconstructie van TNO kennelijk slechts 1 x 1,5 minuut en vervolgens 2 x 25 seconden plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat in die drie korte periodes geen brand is ontstaan, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat het ontstaan van brand in vergelijkbare omstandigheden ook bij iedere andere poging ondenkbaar of onwaarschijnlijk is. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook in de korte reconstructies van TNO steeds sprake was van een of meer schroeiplekken in het tissuepapier. Daaruit volgt dat er ook in die reconstructie lasparels de vloer hebben bereikt met voldoende hitte om het papier te doen schroeien.
de reconstructie door STEstelt Hardstaal dat daarbij zwaardere laselektrodes, een ander lasapparaat en brandbaarder materiaal zijn gebruikt en dat er is gewaaierd en houtsnippers zijn toegevoegd. De rechtbank overweegt dat uit het deskundigenrapport, anders dan Hardstaal stelt, niet volgt dat het deskundigenoordeel dat de brand goed door de laswerkzaamheden kan zijn veroorzaakt, enkel is gebaseerd op de reconstructie door STE. Deze reconstructie was kennelijk zijdens Rabobank/ [naam] vooral bedoeld om de stelling van Hardstaal dat uit de TNO-reconstructie volgt dat brand in turfmateriaal ‘ondenkbaar’ was, te ontkrachten. De deskundige oordeelt feitelijk niet meer dan dat hij de tweede reconstructie, gelet op het gebruikte testmateriaal, representatiever acht dan die van TNO. Daarbij overweegt hij verder dat in beide gevallen lasparels vrijkomen, in een mate die, geoordeeld op basis van het beschikbare beeldmateriaal, niet heel verschillend is. Dat in beide gevallen lasparels het te ontbranden materiaal hebben bereikt, blijkt ook uit de schroeiplekken in de reconstructie van TNO. De deskundige relativeert daarbij zelf de waarde van de reconstructie van STE door er op te wijzen dat hij uit het beeldmateriaal niet kan afleiden in hoeverre de lasparels daadwerkelijk de in de reconstructie genoemde afstand hebben afgelegd. De deskundige overweegt echter ook dat van de reconstructie van TNO slechts enkele foto’s beschikbaar zijn. Het komt er op neer dat de precieze omstandigheden waaronder de reconstructies hebben plaatsgevonden voor de deskundige moeilijk te controleren zijn. Het oordeel van de deskundige in zijn definitieve rapport, dat hij ondanks de bezwaren van Hardstaal, zoals die ook al naar voren zijn gebracht naar aanleiding van het conceptrapport, bij zijn oordeel blijft dat de reconstructie van STE representatiever is dan die van TNO, acht de rechtbank al met al voldoende onderbouwd. Dat betekent echter niet dat die enkele reconstructie voldoende onderbouwing is van het deskundigenoordeel dat de brand door de laswerkzaamheden kan zijn veroorzaakt.
dat de brand goed door de ten gevolge van de laswerkzaamheden neervallende lasparels kan zijn veroorzaaktwordt, zo begrijpt de rechtbank het deskundigenrapport, gebaseerd op het geheel van de bevindingen en tussenconclusies van de deskundige, waaronder de plaats waar de laswerkzaamheden hebben plaatsgevonden, de plaats waar de brand zou zijn ontstaan, de omstandigheid dat er ook door sloopwerkzaamheden branden zijn ontstaan en de conclusie dat er dus brandbaar materiaal aanwezig moet zijn geweest, de niet betwiste gegevens zoals aangehaald in r.o. 2.2.8 over de hitte en verplaatsbaarheid van lasparels en de conclusies over de vochtigheid van het turf. De deskundige heeft bij zijn oordeel kennelijk de beide reconstructies, met zijn relativerende opmerkingen en de bezwaren van partijen, wel betrokken, maar dat oordeel daar niet geheel of in overwegende mate op gebaseerd. De voornoemde conclusie en overwegingen van de deskundige acht de rechtbank voldoende gemotiveerd, inzichtelijk en overtuigend.
aldusis tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst met [naam] .
nietworden aangesloten bij de door Rabobank als uitgangspunt voor de schadebegroting gehanteerde berekening ‘BRANDSCHADE PAKHUIS’, zoals nader omschreven in r.o. 2.15 van het vonnis van 2 mei 2018, die sluit op een bedrag van € 1.557.742,61 (r.o. 4.24).
3.De beslissing
,K. van Vlimmeren-van Ommen en M.M. Klaasen en bij afwezigheid van de voorzitter getekend en in het openbaar uitgesproken door de oudste rechter op 15 april 2020.