Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[Gedaagde 3],
1.De procedure in de hoofdzaak en het incident
- het tussenvonnis van 8 januari 2020
- de akte houdende wijziging eis van 8 januari 2020 van de zijde van gedaagden (eisers in het incident)
- de akte uitlating verwijzing ex artikel 93 sub c Rv Pro van 5 februari 2020 van de zijde van eiseressen (verweersters in het incident)
- de akte uitlating in het incident en hoofdzaak van 5 februari 2020 van de zijde van gedaagden (eisers in het incident).
2.De verdere beoordeling in het incident
en onderhavige akteomschreven vormen van
oneerlijke handelspraktijken waaronder mede begrepen alleonrechtmatige misleidende reclame
en/of mededelingente staken en gestaakt te houden
, waaronder in ieder geval wordt begrepen het staken en gestaakt houden van het openbaar (laten) maken van mededelingen waarom wordt gesteld en/of gesuggereerd dat gedaagde [Gedaagde 2] (sub 3) een 'Erkend Vochtexpert' is volgens de Stichting Erkende Vochtexperts en/of waarbij gebruik gemaakt wordt van het in deze akte omschreven logo van de Stichting Erkende Vochtexperts;
en XXgenoemde veroordeling
en, of enig gedeelte daarvan, na te leven;
(vooralsnog) overwogen – en daarmee toen nog niet beslist - dat bij alle andere vorderingen het verband met de Uniemerken
minder evident lijkt. Die overweging is ingegeven door de enkele omstandigheid dat de (vervolgens in diezelfde rechtsoverweging door de rechtbank) genoemde onderwerpen geen betrekking hebben op Uniemerken. Daarmee is, anders dan eiseressen (verweersters in het incident) aanvoeren de overweging in redelijkheid begrijpelijk. Dat laat echter onverlet dat eiseressen (verweersters in het incident) liever een algehele verwijzing willen, hetgeen zij, naar de rechtbank begrijpt, in hun akte zo naar voren hebben willen brengen.
3.De beslissing
in het incident en in de hoofdzaak
rolzitting van woensdag 8 april 2020 om 10:00 uur.