Uitspraak
mr. [B] en mr. [C]
en op meerdere dagen gehoord. Tijdens deze verhoren heeft hij verklaard over een aantal
transporten die door hem zijn gefaciliteerd. Op de vraag of het [D] bekend is dat het
verboden is om sigaretten in Nederland voorhanden te hebben die niet in de accijnsheffing
zijn betrokken, antwoordde hij:
“ja”.
gemaakt van de sigarettentransporten naar Engeland waarbij [D] betrokken is geweest.
Toen [D] dat overzicht van de sigarettentransporten, binnen het onderzoek genummerd
als DOC- [xxx] was voorgehouden, en hem de vraag was gesteld of de op het overzicht
vermeld staande transporten ALLE transporten betreft die hij naar Engeland heeft verzonden,
antwoordde [D] :
“Dat moeten ze allemaal zijn, ja”.
[v04] in ieder geval vanaf de sigarettenzending die is getransporteerd door [bedrijf E]
uit [plaats 1] [d.d. 29 oktober 2013] betrokken is geweest [transportnummer 4
uit de hierna opgenomen tabel].
(…)
verklaarde [D] :
“Die aantallen zijn door mij geschat, dat weet ik van alle zendingenniet met 100% zekerheid”.
aantallen getransporteerde sigaretten konden niet door hem worden gereproduceerd, aldus
verklaarde hij:
“ik heb natuurlijk geen administratie bijgehouden”.
(…)
[vermoedelijk]
[vermoedelijk]
[vermoedelijk]
[plaats 1]
[plaats 1]
[H]
[J]
[L]
12.Zoals deze rechtbank op 14 februari 2017heeft overwogen rust, voor de vraag of eiser kan worden aangewezen als een persoon die tot de voldoening van de accijns is gehouden, op verweerder alleen de bewijslast aannemelijk te maken dat eiser onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of daarbij betrokken is geweest. Verweerder hoeft niet aannemelijk te maken dat eiser wist of redelijkerwijze kon weten dat het voorhanden hebben betrekking had op accijnsgoederen. Omdat het hier evenwel een bepaling betreft die is bedoeld om de belastingschuldige aan te wijzen, brengt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA mee dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld te bewijzen dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Aangezien eiser over de vraag of hem enig verwijt kan worden gemaakt niets heeft aangevoerd, behoeft dit punt geen behandeling.
Vast staat dat ten aanzien van de transporten en de hoeveelheid sigaretten door eiser of zijn medeverdachten geen administratie is gevoerd. Tevens staat vast dat eiser tegenover de FIOD zelf niets heeft verklaard, omdat hij niet is gehoord. De reden daarvoor is dat eiser een tijd in Engeland is gedetineerd. Gelet op het ontbreken van een administratie en verklaringen van eiser zelf is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in beginsel kan baseren op verklaringen van derden en ander ondersteunend bewijs [3] . De rechtbank constateert in dit verband echter dat verweerder de transporten en aantallen sigaretten met name baseert op enkel en alleen de verklaringen van [D] . Dit acht de rechtbank onredelijk. Temeer omdat ten aanzien van de transporten niet altijd een datum bekend is en omdat het bij de aantallen sigaretten gaat om een schatting van [D] . Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [D] tenminste ondersteund dient te worden met aanvullend bewijs.
31 oktober 2013 bevestigd. Ten aanzien van de in de loods in [plaats 5] aangetroffen sigaretten op 22 oktober 2015 is komen vast te staan dat de bij de loods aanwezige trailer met kenteken [kenteken 1] door eiser is gehuurd. Hiermee is de betrokkenheid van eiser bij dit transport naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden. Via de uitgeluisterde gesprekken is de betrokkenheid van eiser bij de laatste drie transporten aannemelijk geworden. Bovendien is eiser bij het laatste transport op 19 juli 2016 aangehouden in het Verenigd Koninkrijk toen hij bezig was met het laden en lossen. Bij verdere transporten is de betrokkenheid van eiser onvoldoende aannemelijk geworden. De verklaringen van [U] en [T] waar verweerder naar verwijst bevestigen wel de betrokkenheid van eiser bij transporten, maar welke transporten dat precies zijn valt niet af te leiden uit de overgelegde stukken en verklaringen.
18.Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.
18 december 2019 met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.097;
mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;