Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
1 augustus 2019 en dat er dus in elk geval sprake is geweest van drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
Rechtbank Gelderland
Eiser werkte van september 2017 tot februari 2018 via een bemiddelingsbureau bij Rizz voor werkervaring en daarna van maart tot juli 2018 via een uitzendbureau. Vanaf 1 augustus 2018 trad hij in dienst bij Rizz als Teamleider Productie op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van zes maanden, die stilzwijgend twee keer werd verlengd.
Eiser stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omdat de keten van tijdelijke contracten langer was dan toegestaan en dat hij recht had op loon conform de CAO voor de Houtverwerkende Industrie, hoger dan het minimumloon dat hij ontving.
De rechtbank oordeelde dat de periode via het uitzendbureau niet meetelt voor de keten van tijdelijke contracten omdat de werkzaamheden wezenlijk verschilden. Hierdoor was er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en eindigde het dienstverband van rechtswege per 1 februari 2020.
Daarnaast werd geoordeeld dat eiser recht had op het normloon van de CAO omdat hij niet als ongeschoolde werknemer kon worden aangemerkt. De loonafspraak was daarom nietig en Rizz moet het verschil tussen het betaalde loon en het CAO-loon met wettelijke rente betalen. Vorderingen tot betaling van loon na 1 februari 2020, werkkledingvergoeding en incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is tijdelijk en het loon moet conform de CAO worden aangepast, overige vorderingen worden afgewezen.