Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.De vordering en het verweer
1 juli 2020 tot aan het tijdstip van ontruiming;
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een kort geding tussen een verhuurder en huurder van een chalet in het Recreatiepark Rhederlaagse Meren. De huurder is sinds december 2019 in gebreke gebleven met het betalen van huur en bijkomende lasten, wat heeft geleid tot een huurachterstand van zes maanden. De verhuurder vordert ontruiming en betaling van de achterstallige huur.
De huurder stelt dat hij de huur mocht opschorten vanwege gebreken aan het gehuurde, waaronder een defecte vaatwasser, houtkachel en kraan. De verhuurder betwist dit en stelt dat de huurder onvoldoende meewerkt aan herstel. De kantonrechter oordeelt dat de huurder onvoldoende heeft aangetoond dat hij de verhuurder in redelijkheid de gelegenheid heeft gegeven de gebreken te herstellen, waardoor opschorting niet toekomt.
Daarnaast is het opschorten van de volledige huur niet proportioneel gelet op de aard en ernst van de gebreken. De kantonrechter acht de huurachterstand een ernstige tekortkoming die ontruiming rechtvaardigt. Gezien de coronamaatregelen wordt de ontruimingstermijn gesteld op een maand. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, lopende huur en parklasten, en in de proceskosten.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen een maand en betaling van achterstallige huur en kosten.