ECLI:NL:RBGEL:2020:3435
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving verharding, ophoging en schuilgelegenheid op agrarisch perceel
Eiser is eigenaar van een perceel met een woning en agrarische bestemming. Verweerder legde hem drie lasten onder dwangsom op wegens het aanleggen van verharding en ophoging zonder vergunning en het gebruik van een schuilgelegenheid in strijd met het bestemmingsplan. Eiser betoogde dat voor de schuilgelegenheid een impliciete vrijstelling was verleend en dat er concreet zicht op legalisatie was voor de verharding en ophoging.
De rechtbank oordeelde dat de verharding en ophoging zonder aanlegvergunning zijn gerealiseerd en daarmee in strijd zijn met artikel 2.1 van de Wabo. Voor de schuilgelegenheid was geen vergunning verleend voor het gebruik ten behoeve van woondoeleinden, waardoor ook sprake was van overtreding. De stelling van eiser dat er een impliciete vrijstelling was, werd verworpen omdat de aanvraag en vergunning uitsluitend het gebruik als schuilgelegenheid voor weidedieren betrof.
Verder stelde de rechtbank dat concreet zicht op legalisatie ontbrak omdat een aanvraag voor een aanlegvergunning pas na het besluit op bezwaar was ingediend en verweerder geen vergunning wil verlenen. Gezien het algemeen belang bij handhaving en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, was het handhavend optreden terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de lasten onder dwangsom wordt ongegrond verklaard.