De rechtbank Gelderland behandelde de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor diefstal in vereniging. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gesteld op €51.595,75.
Tijdens de terechtzitting van 30 juni 2020 verscheen de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman. De officier van justitie handhaafde de vordering, terwijl de verdediging geen verweer voerde tegen de ontnemingsvordering vanwege de bepleitte vrijspraak in de hoofdzaak.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van 14 juli 2020, waarin veroordeelde werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor diefstal in vereniging met ten minste zes personen. Uit het proces-verbaal van de politie bleek dat op 31 maart 2019 een omvangrijke diefstal had plaatsgevonden van diverse laptops en andere elektronica met een consumentenprijs van ruim €1,2 miljoen.
De rechtbank achtte aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel had genoten, maar stelde vast dat de daadwerkelijke opbrengst lager lag dan de consumentenprijs. Daarom werd het voordeel geschat op 25% van de consumentenprijs, zijnde €309.574,50, en veroordeelde de rechtbank veroordeelde tot betaling van een zesde deel daarvan, namelijk €51.595,75.
De rechtbank legde de verplichting op aan veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.