ECLI:NL:RBGEL:2020:3806

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
8405712 CV EXPL 20-1098
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:265 lid 2 BWArt. 7:17 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming koopprijs brandstoftank ondanks optische bezwaren niet ontbonden

De eiser heeft een op maat gemaakte brandstoftank geleverd aan de gedaagde, die de tank vervolgens heeft opgehaald. De eigenaar van de vrachtwagen, een klant van de gedaagde, weigerde de tank te monteren vanwege de optische kwaliteit van de handgemaakte lassen. De gedaagde retourneerde de tank binnen enkele dagen aan de eiser en betaalde de factuur niet.

De eiser vordert betaling van de koopprijs, wettelijke rente en incassokosten. De gedaagde voert verweer dat de tank niet aan de overeenkomst voldoet en ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd is. De rechter beoordeelt dat de gedaagde bekend was met de handmatige lasmethode en dat de tank technisch voldoet, waardoor er geen tekortkoming is die ontbinding rechtvaardigt.

De ontbindingsgrond faalt, de koopovereenkomst blijft van kracht en de gedaagde is tekortgeschoten in de betalingsverplichting. De rechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de koopprijs, wettelijke rente vanaf de dagvaarding, incassokosten en proceskosten. De vordering voor juridische bijstand wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de koopprijs, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten; ontbinding van de koopovereenkomst faalt.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Apeldoorn
zaakgegevens: 8405712 \ CV EXPL 20-1098
grosse aan: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.
afschrift aan: Garagebedrijf [gedaagde] B.V.
verzonden d.d.: 29 juli 2020
vonnis d.d. 29 juli 2020 van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] .
gevestigd te [plaats]
eisende partij
gemachtigde De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.
tegen
[gedaagde] .
gevestigd te [plaats]
gedaagde partij
procederend in persoon.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 maart 2020 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek met een productie
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiser] een op maat gemaakte brandstoftank besteld voor op een vrachtwagen, merk Tatra. [eiser] vervaardigt de lassen op de tank met de hand. [gedaagde] was voorafgaand aan de bestelling met deze werkwijze bekend.
2.2.
[gedaagde] heeft de brandstoftank, toen deze gereed was, opgehaald bij [eiser] .
2.3.
De eigenaar van de vrachtwagen waarop de brandstoftank zou worden opgebouwd, een klant van [gedaagde] , heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat hij de brandstoftank niet op zijn vrachtwagen gemonteerd wilde hebben, omdat de (optische) kwaliteit niet voldeed aan zijn eisen.
2.4.
[gedaagde] heeft de brandstoftank vervolgens binnen enkele dagen geretourneerd aan [eiser] .
2.5.
Op 20 april 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur van € 968,00 voor de brandstoftank gestuurd.
2.6.
Betaling van de factuur is, ondanks meerdere betalingsherinneringen, uitgebleven.
2.7.
In een e-mail van 20 september 2019 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:

(...) In het voorjaar hebben we inderdaad uitgebreid contact gehad over de levering van een brandstof tank voor op en TATRA. We weten dat de lassen met de hand vervaardigd zijn. Nadat de tank bij ons is binnengekomen liep de eindklant er langs en die heeft ons duidelijk verteld dat hij deze tank niet op zijn TATRA wilde hebben. Ik kon de klant gezien de optische kwaliteit van de lassen niet overtuigen deze tank wel te gebruiken. Ik ben zelf ook van mening dat de tank naar de huidige standaarden niet voldoet; technisch ben ik ervan overtuigd dat de tank dicht is maar onze klanten verwachten anno 2019 ook dat hun voertuig er mooi uitziet. (...)
2.8.
Op 1 november 2019 is [gedaagde] door de gemachtigde van [eiser] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van het factuurbedrag, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten (€145,20).
2.9.
Tot op heden is de factuur onbetaald gebleven.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen
a. een bedrag van € 968,00 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 2019, althans de wettelijke (handels)rente vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;
b. ter zake van buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 BW Pro een bedrag van
€ 145,20;
c. ter zake van juridische bijstand een bedrag van € 423,50;
d. de kosten van deze procedure inclusief het salaris-gemachtigde;
e. de nakosten ter hoogte van de helft van het toepasselijk liquidatietarief, maar niet meer dan de helft van het geliquideerde toegewezen salaris, danwel een in goede justitie te bepalen bedrag, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans een redelijk geachte termijn na betekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan.
3.2.
[eiser] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan zijn vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag. Tussen [eiser] en [gedaagde] is een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een brandstoftank. [gedaagde] is in gebreke gebleven met tijdige betaling van de factuur van € 968,00. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. [eiser] heeft de vordering ter incasso uit handen moeten geven. De kosten daarvan dienen als vermogensschade door [gedaagde] te worden vergoed.
3.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. Het verweer van [gedaagde] zal, voor zover van belang, in het navolgende worden weergegeven.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert betaling van de overeengekomen koopprijs voor de brandstoftank. [gedaagde] stelt zich op het standpunt de koopprijs niet verschuldigd te zijn, nu de brandstoftank niet aan de overeenkomst beantwoordt en hij de brandstoftank binnen enkele dagen heeft geretourneerd.
4.2.
Met deze stellingen wordt [gedaagde] geacht een beroep te doen op de ontbinding van de koopovereenkomst met [eiser] . Beoordeeld moet dus worden of [gedaagde] de koopovereenkomst met [eiser] terecht heeft ontbonden.
4.3.
Wanneer de brandstoftank niet voldoet aan de overeenkomst is er sprake van een tekortkoming van [eiser] en is [gedaagde] op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro bevoegd de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt. Artikel 6:265 lid 2 bepaalt Pro dat voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is.
4.4.
Voor de vraag of in het geval van een koopovereenkomst sprake is van een tekortkoming is artikel 7:17 BW Pro relevant. Daarin is in lid 1 bepaald dat de gekochte zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.5.
[eiser] stelt dat [gedaagde] voorafgaand aan de bestelling heeft aangegeven te weten dat de lassen van de brandstoftank met de hand worden vervaardigd. Dat betekent dat het laswerk er niet als fabriekswerk uit kan zien. De tank is geschikt voor het beoogde doel. Met verwijzing naar een aantal foto’s stelt [eiser] tot slot dat de tank wel degelijk geschikt is voor waar [gedaagde] om vroeg.
4.6.
[gedaagde] heeft gesteld weliswaar bekend te zijn met de werkwijze van [eiser] , maar hij stelt zich op het standpunt dat de tank die is geleverd niet voldoet aan de (optische) kwaliteitseisen. Zijn klant, waarvoor hij de brandstoftank had besteld, wilde deze niet op zijn vrachtwagen opgebouwd hebben. [gedaagde] heeft zijn klant, gezien de optische kwaliteit van de lassen, niet kunnen overtuigen de tank wel te gebruiken. [gedaagde] is ervan overtuigd dat de tank dicht is, maar stelt dat zijn klanten ook verwachten dat hun voertuig er mooi uitziet.
4.7.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] bij het aangaan van de koopovereenkomst bekend was met de werkwijze van [eiser] en dat [gedaagde] aldus wist dat de tank met de hand gelast zou worden. Dat betekent volgens [eiser] , onweersproken door [gedaagde] , dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat de (optische) kwaliteit van de brandstoftank niet vergelijkbaar is met fabriekswerk. Aangezien [gedaagde] daarnaast heeft bevestigd dat de tank technisch voldoet, leidt dit tot de slotsom dat de brandstoftank voldoet aan de overeenkomst.
4.8.
Voor zover [gedaagde] meent dat de optische kwaliteit van de brandstoftank een eigenschap is die nodig is voor een bijzonder gebruik van de brandstoftank, is gesteld noch gebleken dat dat gebruik bij de overeenkomst is voorzien. Het oordeel van de klant van [gedaagde] over de kwaliteit van de brandstoftank is niet relevant voor de vraag of die tank aan de overeenkomst beantwoordt, nu die klant geen partij is bij diezelfde overeenkomst.
4.9.
Dat er sprake is van een tekortkoming zoals bedoeld in 4.3 en 4.4 is dus niet komen vast te staan. [gedaagde] kon de overeenkomst dan ook niet rechtsgeldig ontbinden. Zijn verweer wordt verworpen. Het gegeven dat [gedaagde] de brandstoftank binnen enkele dagen weer bij [eiser] heeft afgeleverd, maakt dit niet anders.
4.10.
De koopovereenkomst is dus onverkort van kracht. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de daaruit voortvloeiende verbintenis tot het betalen van de overeengekomen prijs voor de brandstoftank. De vordering tot betaling van die koopsom van € 968,00 wordt dan ook toegewezen.
4.11.
[eiser] vordert daarnaast de wettelijke handelsrente over de hoofdsom te rekenen vanaf 20 mei 2019, althans de wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf de dag van de dagvaarding. Er is sprake van vertraging in de voldoening van een geldsom. [gedaagde] heeft immers nagelaten de op hem rustende betalingsverbintenis uit hoofde van de koopovereenkomst na te komen. De betreffende factuur is van 20 april 2019. [eiser] neemt echter geen stellingen in op basis waarvan [gedaagde] de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a BW is verschuldigd. Voor toekenning van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro heeft [eiser] wel voldoende gesteld. Nu [eiser] niet expliciet heeft gemaakt per welke datum [gedaagde] in verzuim is, wordt als aanvangsdatum voor de wettelijke rente uitgegaan van de datum van de dagvaarding, te weten 12 maart 2020.
4.12.
[eiser] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, € 145,20, komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
4.13.
De vordering sub c, ter zake van juridische bijstand aan de zijde van [eiser] , zal worden afgewezen, nu voor toewijzing van deze vordering, naast de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten, geen grondslag bestaat.
4.14.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . De proceskosten worden als volgt begroot:
dagvaarding € 87,99
griffierecht € 499,00
salaris € 240,00 (2 punten maal tarief € 120,00)
TOTAAL € 826,99.
4.15.
De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
4.16.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat op hetgeen [eiser] in de dagvaarding heeft gesteld ten aanzien van de wettelijke rente over de proces- en nakosten de kantonrechter niet kan beslissen, aangezien een daarop toegesneden vordering in het petitum ontbreekt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 968,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over € 968,00 te rekenen vanaf 12 maart 2020 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 145,20 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 826,99;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, begroot op € 60,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast) en, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier
ag/mk