De zaak betreft een civiele vordering van een nieuw raadslid van de Arnhemse Ouderen Partij (AOP) tegen de weduwe van het vorige raadslid en medebestuurder van de Stichting Fractie Arnhemse Ouderen Partij. Het nieuwe raadslid vordert betaling van een bedrag dat volgens hem onrechtmatig is besteed uit de fractiesubsidies die de stichting van de gemeente Arnhem ontving.
De stichting was opgericht om fractieondersteuning te regelen, maar werd in 2019 ontbonden. Het nieuwe raadslid stelt dat de medebestuurder tekort is geschoten in haar verplichtingen en dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. De kantonrechter oordeelt dat er geen overeenkomst tussen partijen bestaat en dat de vordering niet kan worden gebaseerd op nakoming.
Daarnaast stelt de rechter dat bestuurdersaansprakelijkheid alleen kan worden aangenomen indien een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De aangevoerde feiten zijn onvoldoende om dit te bewijzen. Ook het feit dat de gemeente het teveel ontvangen subsidiebedrag verrekent met toekomstige subsidies leidt niet tot aansprakelijkheid van de medebestuurder jegens het nieuwe raadslid.
De vordering wordt daarom afgewezen en het nieuwe raadslid wordt veroordeeld in de proceskosten.